Goudstikkers rehabilitatie

Zat er echt helemaal geen gebaar in, een klein gebaar, desnoods de naam Goudstikker die aan een museum verbonden kan worden? Een dergelijke vraag stelde Maartje van Weegen woensdagavond aan staatssecretaris Aad Nuis (OCW), in het televisieprogramma Nova.

Nuis had die middag bekend gemaakt dat de erven Goudstikker, die vinden dat de Nederlandse staat na de oorlog ten onrechte in bezit is gekomen van de collectie van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, geen recht hebben op dit familiebezit van destijds. Goudstikkers weduwe had afstand gedaan van de kunstwerken, onder protest weliswaar, maar daarmee was de kous, juridisch af. En een gebaar? Nee, niets daarvan. Nuis achtte zich, gezien de duidelijke uitkomst van het juridisch onderzoek rondom de schilderijen-transactie, niet bij machte om in dit stadium ook maar iets toe te zeggen. “Het recht heeft zijn loop gehad.”

Misschien kan er te zijner tijd wel een boek van af, een Goudstikker-boek, liet Nuis eerder weten. Dan heeft de familie toch nog een aardige herinnering aan een nalatenschap die, laat ons zeggen, op een wat rommelige manier is afgehandeld. Over de hoogte van de naoorlogse belastingaanslagen voor de weduwe Goudstikker, die het verder procederen tegen de staat haar onmogelijk zouden hebben gemaakt, weten we bijvoorbeeld niets.

Maar iets later in Nova ging de staatssecretaris toch nog even, terloops, in de aanval. Nuis vond dat de hele kwestie ertoe had bijgedragen dat “je zoiets kreeg als dat de naam Goudstikker in opspraak was geraakt” en “dat verdient ie niet”. Want Goudstikker was toch “een bijzondere man” geweest, die “veel betekend heeft voor Nederland.” Sterker nog, de staatssecretaris voelde zich geroepen “iets te doen om deze man als het ware op de een of andere manier te rehabiliteren”; de naam van Jacques Goudstikker moest ineens beschermd worden. Tegen de erven soms ?

Valt er ten aanzien van de erudiete connoisseur Goudstikker dan iets te rehabiliteren? Aan zijn briljante oog en zijn bijna visionaire smaak - weinigen zagen destijds het belang in van bijvoorbeeld de vroeg-Italiaanse schilderkunst waaraan men zich in het Bonnefantenmuseum in Maastricht kan vergapen - dankt dit land kunstwerken waar velen uit binnen- en buitenland op afkomen en waar al jaren van genoten wordt.

Deze privé-collectie kende in Nederland geen equivalent. De musea, die de werken daaruit nu in bruikleen hebben, moeten er niet aan denken hun Goudstikkers kwijt te raken. De reputatie van Goudstikker is dus volstrekt niet in het geding. Het is de Nederlandse regering die straks “in opspraak is” en die zich met het oog op de te verwachten kritiek van internationale zijde in moreel opzicht zal moeten “rehabiliteren”.