Geen porie is overgeslagen; De ultra-realistische portretten van Chuck Close

De schilderijen van de Amerikaanse kunstenaar Chuck Close , die nu in New York te zien zijn, zijn een minutieuze invasie van de privacy van de geportretteerde. “De bezoeker wordt aangekeken door de jeugd, de bloei van het leven en de ouderdom, het zelfvertrouwen, de nieuwsgierigheid, de wijze ironie, de twijfel, de verwachting.” 'Chuck Close', Museum of Modern Art, New York, tot 26 mei.

De portretten van Chuck Close zijn heel groot. De meeste passen juist binnen een kader van twee bij twee meter. Ze zijn ook vlijmscherp en uiterst gedetailleerd. Geen porie, wrat, rimpel, baardstoppel is overgeslagen; iedere glans, iedere vleug van licht en schaduw is vastgelegd. Daardoor hebben ze allemaal iets sensationeels, een boodschap van gaat dat zien!, zoals de bovenmaatse gezichten van de filmsterren boven de ingang van de bioscoop. Ze zijn sensationeler door hun onthullende scherpte: de geheimen van een gezicht ontsluierd onder het vergrootglas. Ze zijn, met instemming van de geportretteerden, een minutieuze invasie in de privacy. Ze vertonen een sprekende gelijkenis met het model - zo sprekend dat ze meer zijn dan het model zelf. Is dat mystieke taal van een kunst-exegeet? Wie weet. Maar zo hoort het bij een kunstenaar te zijn. 'Kijk maar, er staat niet wat er staat' (Nijhoff). Kijk maar, dit gezicht is meer dan het is.

Chuck Close is geboren in 1940, in Monroe, Washington. Zijn moeder was pianolerares, zijn vader uitvinder en metaalarbeider. Verstandige, moderne ouders aan wie hij zijn vrije, wat we noemen creatieve opvoeding te danken heeft. Als hij zes is krijgt hij een doos met tubes olieverf waarmee hij zo veelbelovend omspringt dat hij al twee jaar later naar tekenles gaat. De achtjarige leert anatomie, tekent naar levend model. Hij wil commercieel schilder worden, gaat in 1958 naar de academie. Daar raakt hij onder de invloed van Jasper Johns, begint vlaggen te schilderen, en daarmee is feitelijk het avntuur van de kunstenaarscarrière begonnen. Intussen laat hij niets na om zich verder in de techniek te bekwamen. Zoals we zullen zien: zijn kunnen wordt dat van een virtuoos.

Van 1962 tot 1964 bezoekt hij de Yale University School of Art and Architecture, studeert cum laude af. Hij zet zijn studie voort in Wenen aan de Akademie der Bildende Künste. In 1966 teruggekeerd in de Verenigde Staten, begint hij te werken op grondslag van foto's. Een jaar later vestigt hij zich in New York. Hier komt hij tot zijn eerste grote portretten, zwart-wit met airbrush.

In 1969 heeft hij zijn eerste solo-expositie; in 1971 de tweede. De beruchte criticus Hilton Kramer (tegenwoordig reactionairste columnist van de New York Post) schrijft: 'Het soort werk dat de heer Close vervaardigt is alleen belangwekkend omdat het hoort tot het soort afval dat zich ophoopt nadat de geschiedenis in de ontwikkeling van de smaak een wending heeft genomen.' Een zeker teken dat Close op het goede pad is. In 1972 neemt hij deel aan een groepstentoonstelling in de Whitney Museum of American Art. De kritiek verdiept zich in wat wordt genoemd zijn superrealisme.

Een lange reeks exposities, groeps en solo volgt. Dan, in december 1988, wordt hij getroffen door een inwendige bloeding waardoor hij aanvankelijk vrijwel verlamd raakt. Na een half jaar revalidatie kan hij het ziekenhuis verlaten. Hervat zijn werk, ontwikkelt zijn verscheidenheid aan technieken, bevestigt in een nieuwe serie tentoonstellingen dat hij ongebroken is.

Carel Willink

Nu, tot 26 mei is er de overzichtstentoonstelling in het Museum of Modern Art, New York, 11 West 53 Street. Er hangen 46 grote portretten, 38 tekeningen en een paar foto's. Bij ieder portret krijgt de bezoeker datgene waarvoor hij is gekomen: dit meer, zoals ik het in Nijhoffs betekenis bedoel. Dat maakt het verblijf in de zalen tot iets anders dan een gebruikelijke wandeling of drenteling met kunstgenot of ongenot. Het ultra-realisme is in zijn hoeveelheid, in de verscheidenheid der geportretteerden en in de consequente volharding zo uitzonderlijk dat je jezelf andere vragen gaat stellen.

Daar is, ten eerste, het vraagstuk van de gelijkenis door maximale scherpte: hoe plaatsen we Close op grondslag van zijn technieken. Als Nederlander denk je aan onze magisch realisten. Is Close een Amerikaanse nakomeling? Zien we bijvoorbeeld een verwantschap met het werk van Carel Willink of Pyke Koch? In de verste verte niet. Bij Close is geen décor van symboliek. Het hele décor ontbreekt. Er is geen onheilszwanger wolkje te bekennen. Zoeken we overeenkomsten met andere portretschilders van grote nauwkeurigheid, Ingres, Degas, Singer Sargent; of beroemde fotografen, Karsh, Hockney, de oude meesters van de daguerreotypie. De laatsten komen er het dichtst bij. Close gebruikt foto's, onderwerpt die aan een techniek, maakt litho's, hout- en lineoleumsneden, gebruikt olieverf, drukinkt, papierpulp, waterverf, acryl. Is virtuoos op alle gereedschap. Hij heeft, zoals hij zelf zegt, een arsenaal van gimmicks.

Voor de kunstenaar zelf is iedere techniek van belang. Ieder handigheidje opent mogelijkheden, iedere uitvinding op het gebied van verf, airbrush, ondergrond, projectie, bevrijdt hem verder uit belemmeringen van zijn gereedschap en materiaal. Hadden de prehistorische holbewoners onze beitels gehad dan was onze bewondering voor hun kunst nog groter geweest. Talent, vakmanschap en het technisch ontwikkelingsniveau van materiaal en gereedschap zijn een drie-eenheid. We hebben de neiging, het laatste onderdeel te onderschatten ten koste van de eerste twee. Respect voor de virtuoos overwoekert de belangstelling voor het doel dat de virtuositeit dient. Dat is een eigenschap van deze tijd. Wie het hele oeuvre van Bach er non stop door kan jagen is ook musicus - niet te ontkennen - maar anders. Zo ongeveer loopt Close het risico, met zijn virtuositeit de verkeerde bewondering te wekken. Heb respect voor het virtuose maar blijf er niet in steken; want wat wordt ermee gedaan?

Zo kom ik tot het tweede vraagstuk. Een tentoonstelling is pas goed als er een verleiding van uit gaat. Dat is hier in orde. De portrettengalerij is behalve een tentoonstelling ook, geluidloos, een voorstelling, in de zin van een Comédie humaine. Zelfs heb ik een ogenblik gedacht dat, als je een andere benadering zou kiezen - niet die van de kunstbeschouwing - de vergelijking met een bezoek aan een dierentuin te verdedigen valt. Het is jammer dat hier geen portret van een verstandige hond hangt, om te beginnen. Desondanks: de reminiscentie aan een ménagerie blijft.

Hoe komt dat? Om te beginnen door de geraffineerde inrichting. Alles werkt mee om het effect van volledigheid te bereiken: de ruimte, het licht, het perspectief waarin het werk is opgehangen. Het perspectief is wijd en diep, maar in tegenstelling tot wat daardoor hoort te gebeuren, werkt het niet verkleinend. Om een oude leuze van de Partij van de Arbeid te gebruiken: het werkt wenkend en daarbij concentrerend, ongeveer als dat bij een kijkdoos het geval is. Het is een uitnodiging om zo dicht mogelijk te naderen en met je neus bovenop het gebodene te gaan staan. Dat dit een algemene gewaarwording is, wordt bewezen door de voorzorgen die het museum heeft getroffen. In geen enkel museum mag de bezoeker ooit ergens aankomen. Hier zijn voor de portretten op de grond speciale markeringen aangebracht waar je niet overheen mag, en de suppoosten letten er scherp op dat je dit ook niet doet. De paraatheid van de suppoosten is het bewijs van de kracht der verleiding.

On-onderworpenheid

En dan, na dit Drum und Dran het derde vraagstuk: de portretten zelf, het wezen van de voorstelling. In een reeks zalen wordt de bezoeker aangekeken door de jeugd, de bloei van het leven en de ouderdom, het zelfvertrouwen, de nieuwsgierigheid, de wijze ironie, de twijfel, de arrogantie, de verwachting. Geen gezicht is passief; ieder portret herbergt de actie van een gemoedsgesteldheid. Dat is een van de duidelijkste kenmerken, en met de scherpte tot in détail, het wezenlijkste van dit geheel. Hoe valt dat te verklaren, althans te omschrijven? Ik opper een paar mogelijkheden.

Ieder goed geschilderd portret, door de eeuwen heen, fascineert omdat het de kunstenaar is gelukt, de beperkingen van zijn eigen tijd te overwinnen. Hij heeft, hoewel veroordeeld tot deze beperkingen, de aanblik van zijn model tot tijdloosheid verheven. Misschien - daarvan zou je pas zeker kunnen zijn als je over honderd jaar nog eens zou kunnen kijken - hebben deze portretten dit extra, omdat er de aanblik van onze tijd in ligt, zoals die in onze gezichten besloten is. Wat zullen de latere generaties van de voorstelling anno 1998 zeggen? Zullen ze er datgene in zien wat ik eruit lees: de vanzelfsprekende trots over hun aanwezigheid, de ongeimponeerdheid, het ontbreken van iedere teken van horigheid, de volstrekte on-onderworpenheid?

Jammer dat wij nooit iets zullen weten over wat ons voorgeslacht en degenen die na ons komen, van ons denken. Wij kunnen geen ruggespraak met het hiervoormaals en onze nakomelingen houden. Wie tot zijn tijd hoort, iedereen dus, is voor de beoordeling van het collectief zelfbeeld op zichzelf aangewezen. Daarbij kunnen we ons waarschijnlijk lelijk vergissen. Hiermeerekening houdend zie ik in de portretten van Chuck Close behalve wat ik al heb gezegd, ook een intense nieuwsgierigheid. Men weet daar wat men waard is, maar men is niet zelfvoldaan. Terwijl men zichzelf vertrouwt, verlangt men naar het komende. De ménagerie van Chuck Close is optimistisch.

Deze portretten worden ook wel met mugshots vergeleken, politiefoto's. Ik geloof dat dit een vergissing is. Men kent die beelden van de bittere waarheid. Wie er zo op staat, is teruggedreven in zijn laatste bolwerk. Oog in oog te staan met zo'n portret wekt gemengde gevoelens. Zoiemand heeft iets op zijn kerfstok, heeft het dus verdiend om te worden gearresteerd. Dat is de kant van moraal en recht. En dan is er de genante nieuwsgierigheid: wie is degene die het op onze fatsoenlijke orde heeft voorzien? De mensen dringen op om de ongevaarlijk gemaakte schurk eens goed te bekijken. Geen gezicht zo naakt als een gezicht op een goede politiefoto. Daarom: stoor hem niet in zijn gedwongen weerloosheid. Hij zal het hebben verdiend, maar zonder onze blik heeft hij het al moeilijk genoeg, en dat zal nog erger worden.

Zijn de portretten van Chuck Close in deze zin mugshots? Nee, want allen die voor hem model hebben gestaan, zijn voorzover ik weet brave mensen, met het gezicht dat ze op hun afbeelding wilden zien. Ook de oudste geportretteerde, (en een van de mooiste, vind ik), Fanny, is nieuwsgierig naar de dag van morgen. En hier bereiken we het tekort in dit overzicht, als we het kritisch willen benoemen, of constaterend: de grens. Close houdt namelijk op waar het mugshot begint.

Het lijkt me geen bezwaar, als je tenminste niet van mening bent dat het ware leven pas in de onderwereld begint, of nadat de mens een zekere graad van treurigheid, ellende heeft bereikt en al dan niet 'gelouterd' uit de ervaring tevoorschijn is gekomen. Op de volwassenheid van de geportretteerden valt niets aan te merken. Maar toch, al kijkend schoot me een passage uit Céline's Reis naar het einde van de nacht te binnen. Om me ervan te overtuigen dat mijn geheugen niet verkeerd had gewerkt, heb ik die later opgezocht. En ik geloof dat het waar is: Chuck Close maakt halt voor de grens waarachter de gezichten van Céline's signalement, deze existentiele mugshots beginnen te leven.

Grijns

Céline schrijft: 'En daar je, als je ouder wordt, er hoe langer hoe lelijker en afzichtelijker uit gaat zien, kun je je ellende, je fiasco niet eens meer verborgen houden. Op het laatst is je zicht een en al smerige grijns, die er twintig, dertig jaar en soms nog langer over doet om van je buik naar je gezicht te kruipen. Daarvoor is de mens nu op de wereld, daarvoor alleen, voor die grijns; hij doet er zijn hele leven over om hem zich aan te meten en soms komt hij er niet eens helemaal mee klaar, zo moeilijk en zo gecompliceerd is de grijns die hij zou moeten hebben om zijn diepste gevoelens uit te drukken, zonder dat er iets van verloren gaat.' Je hoeft, dacht ik, niet eens aan een smerige grijns te denken om de waarheid van deze woorden in te zien.

Maar is het een tekort als deze speciale waarheid in de portretkunst van Close ontbreekt? Worden andere waarheden daarmee tekort gedaan? Er is geen enkele reden, het specialisme van een kunstenaar te bestrijden zolang het er goed mee gaat; en met dit specialisme gaat het uitstekend. Op de vraag naar de waarheid van Close kan misschien alleen het definitieve antwoord worden gegeven door zijn modellen. Daarom is de laatste vraag: zou je je door Close willen laten portretteren? Als je iets anders wilt zien dat wat je iedere dag in de spiegel tegenkomt, nieuwsgierig bent naar de vouwen, plooien, trekken, de mond en de ogen die je door de jaren hebt ontwikkeld - al dan niet Céline's grijns - zou je nauwelijks kunnen wachten om te gaan poseren. In andere gevallen lijkt het me af te raden.