Fraudes bij de Stichting Nederlands Kunstbezit; De dubbele agenda van A.B. de Vries

Wie in de oorlog kunstwerken was kwijtgeraakt aan de nazi's moest vaak een taai gevecht leveren met de Stichting Nederlands Kunstbezit om ze terug te krijgen. Maar niet de gebroeders Katz. Niemand begreep waarom de directeur van de SNK, A.B. de Vries, in 1947 tientallen schilderijen liet teruggeven aan deze kunsthandelaren. Ook de officier van justitie die De Vries en Benjamin Katz liet arresteren, kwam er niet uit. Nu blijkt wat De Vries tegenover de recherche verzweeg. Uit de dossiers komt een schrikbarend beeld naar voren van de chaos bij de SNK.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde de Nederlandse kunstverzamelaar en mecenas Leo Nardus in Tunis. Hij had 154 schilderijen in bewaring gegeven aan een joodse vriend die deze collectie in 1942 moest inleveren bij de Duitse roofbank Lippmann-Rosenthal & Co (Liro) in Amsterdam. Liro verkocht een deel van de schilderijen naar Duitsland, het overige werd in 1943 in Amsterdam geveild bij Mak van Waay. Na de oorlog deed Nardus' advocaat bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangifte van de geconfisqueerde schilderijen. De SNK was verantwoordelijk voor de recuperatie van de naar Duitsland verdwenen kunst en ook voor de teruggave aan de rechtmatige eigenaren. Net als andere rechtmatige eigenaren die hun kunstbezit in de oorlog waren kwijtgeraakt, merkte ook Nardus dat de SNK meer geïnteresseerd was in de recuperatie dan in de teruggave van kunstwerken.

Nardus' zaakwaarnemer in Nederland kwam vaak bij de SNK informeren of er al iets van de schilderijen was teruggevonden, maar vergeefs. Tot hij in 1947 ontdekte dat de SNK een doek uit de collectie, het Portret van een edelman van de zestiende-eeuwse Italiaanse schilder Passarotti, per abuis had laten veilen. Kort daarna bleek een ander schilderij van Nardus met toestemming van de SNK te zijn verkocht aan een kunsthandelaar die lid was van de Raad van Beheer van deze Stichting. Een derde schilderij, Hondekoppen van de zeventiende-eeuwse dierenschilder Frans Snyders, was na de recuperatie uit Duitsland door de SNK in bruikleen gegeven aan het Bonnefantenmuseum in Maastricht. Een landschap van Daubigny had via de SNK een plaatsje gekregen in het Haags Gemeentemuseum en in de Leidse Lakenhal stuitte de zaakwaarnemer op een portret van Jan Lievens, De vader van Rembrandt. Over al deze doeken had hij bij de SNK steeds weer te horen gekregen dat ze nog niet terecht waren en als hij niet zelf op onderzoek was uitgegaan had Nardus ze waarschijnlijk nooit meer in zijn bezit gekregen.

Achteraf bezien is het een grote fout geweest dat de SNK geheel werd bestuurd door museumdirecteuren en -conservatoren die in de recuperatie vooral een mogelijkheid zagen tot een verrijking van de Nederlandse museumcollecties, tot het vormen van een 'Mobilier National', of zoals het nu heet, de 'Collectie Nederland'. Alle gerecupereerde kunstwerken die in de oorlog vrijwillig aan de Duitsers waren verkocht, vervielen immers aan de Staat, evenals de geconfisqueerde en onder dwang verkochte kunst waarvoor zich geen eigenaar meldde. De eigenaren die de oorlog hadden overleefd (of hun erfgenamen) moesten vaak een taai gevecht leveren om hun bezittingen terug te krijgen van de SNK.

In zijn correspondentie met bevriende kunsthistorici klaagde SNK-directeur A.B. de Vries - die vanaf 1947 ook directeur was van het Mauritshuis - meermalen over claims van particulieren waar hij helaas niet omheen kon. Zo had hij in februari 1948 een 'goed gefundeerde' claim ontvangen voor het schilderij Driekoningenavond van Jan Steen, dat hij al aan het Haags Gemeentemuseum had toegewezen. “Het is jammer dat dit stuk voor de musea verloren gaat”, aldus De Vries. Over een werk van Liotard dat hij aan zijn eigen Mauritshuis had toebedacht, schreef De Vries “Ook dit schilderij zal ik waarschijnlijk niet kunnen krijgen, daar hierop een claim rust van de erfgenamen (-). Er vallen dus inderdaad wel zeer belangrijke stukken af.”

In de serie Kunstroof en recuperatie - afgelopen najaar in het Cultureel Supplement - merkte de Amsterdamse kunsthandelaar Lodewijk Houthakker op dat particulieren al met een leger advocaten moesten schermen, wilden ze hun in de oorlog afgenomen kunst terugkrijgen van de SNK.

Dat het Centrale Meldpunt Joodse Oorlogsclaims nu, in maart 1998, nog reden ziet om een speciale folder samen te stellen over het claimen van in de oorlog verdwenen kunstvoorwerpen, is dan ook te wijten aan het wanbeleid van de SNK, aan de miserabele manier waarop destijds met de eigendommen van particulieren werd omgesprongen.

Prooi

Hoe moeizaam SNK-directeur De Vries vaak ook te bewegen was tot teruggave van kunstwerken, één keer liet hij zonder enig onderzoek naar de rechtmatigheid van de claims 28 schilderijen teruggeven. Deze teruggave zou leiden tot een schandaal. Er zou een gerechtelijk onderzoek tegen De Vries worden geopend dat drie jaar duurde. Maar de dubbele agenda van De Vries als directeur van de SNK en als directeur van het Mauritshuis zou nooit worden ontdekt.

De schilderijen-claims waren in 1946 en begin '47 ingediend door de gebroeders Benjamin en Nathan Katz, twee joodse kunsthandelaren die in 1940 zaken deden in het Gelderse Dieren, in Den Haag en Bazel.

Nathan Katz mocht in 1941 met zijn gezin naar Zwitserland in ruil voor de verkoop van twee schilderijen van Maarten van Heemskerck aan Hitlers kunstadviseur dr. H. Posse. Een jaar later stelde Posse aan Nathan Katz, die inmiddels in Bazel woonde, een tweede ruil voor. Als Nathan het Portret van een man uit het geslacht Raman van Rembrandt aan hem afstond, zou zijn broer Benjamin met zijn hele familie Nederland mogen verlaten. Nathan Katz ging op het voorstel in en op 20 oktober 1942 reisde Benjamin met 24 familieleden via Spanje naar Jamaica.

Na de oorlog vroegen de gebroeders Katz niet alleen het schilderij van Rembrandt en de twee van Van Heemskerck terug, maar ook 26 andere schilderijen die ze tussen juli 1940 en oktober '42 naar eigen zeggen onder dwang aan de Duitsers hadden verkocht of die de Duitsers hun afhandig hadden gemaakt. Het ging voornamelijk om zeventiende-eeuwse schilderijen van Hollandse meesters als Frans Hals, Van Goyen, Rembrandt, Van Mieris, Steen, Jacob van Ruysdael en Albert Cuyp. Volgens de Katzen was hun hele kunstbezit vanaf het begin van de oorlog een prooi geweest voor de bezetters. Als joden hadden ze zich niet kunnen verweren tegen diefstallen door de Duitsers of aankopen voor veel te lage prijzen. Voor de 26 schilderijen zouden ze in totaal niet meer hebben ontvangen dan 289.000 gulden. Als ze hun kunstwerken terugkregen, zouden ze dit bedrag aan de Nederlandse staat moeten betalen.

De claim werd door De Vries met grote welwillendheid behandeld. Hij kon er zelf niet over beslissen, dat deed het Nederlands Beheersinstituut, maar zijn adviezen wogen zwaar en die adviezen waren positief: hij kende de gebroeders Katz en hij was overtuigd van hun goede trouw. “Het zou mij juist lijken”, zo schreef hij aan het Beheersinstituut, “dat wij deze zaak wel in der minne schikken, zonder een procedure bij de Afd. Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel.”

Toch was er bij het Beheersinstituut enige achterdocht. Aan welke Duitsers hadden de Katzen precies verkocht? Klopten de bedragen die ze opgaven wel? Waarom was de toelichting op de claim zo summier? De Vries legde uit dat de administratie van de kunsthandel was verbrand, waardoor er geen bewijsstukken meer waren. Maar het stond vast dat de gebroeders Katz onder dwang aan de Duitsers hadden verkocht en die dwang was het criterium voor teruggave. Aan zijn pleidooi voegde De Vries nog een 'vertrouwelijke mededeling' toe: “U begrijpt wellicht (-) dat bij een minnelijke schikking het Nederlandsch museaal belang waarschijnlijk nog wel gediend zou kunnen worden, daar er m.i. een mogelijkheid bestaat om de Heeren Katz ertoe te bewegen dat zij een paar zeer begerenswaardige stukken die zich onder de 26 schilderijen bevinden, voor openbare Nederlandsche musea afstaan, indien hun verzoek tot teruggave wordt ingewilligd.”

De 'begerenswaardige stukken' waren de twee schilderijen van Van Heemskerck - een portret van Pieter Gerritsz Bicker en van Anna Codde - die de Katzen aan het Rijkmuseum wilden schenken, plus een schets van Rubens, De muziekles, die het Mauritshuis cadeau kreeg. Kwam het door deze schenking dat De Vries een al te genereuze houding aannam tegenover de Katzen en zich zand in de ogen liet strooien? Want niet alleen de bedenkingen van het Beheersinstituut wimpelde hij af, hij sloeg ook de waarschuwingen van SNK-medewerkers in de wind. Zij hadden in het Katz-dossier van de SNK kwitanties en andere documenten gevonden waaruit bleek dat de bedragen waarvoor de schilderijen verkocht waren veel hoger lagen dan in de claims was opgegeven. Voor doeken die door de Duitsers gestolen zouden zijn, bleek wel degelijk geld te zijn ontvangen en bovendien waren zes van de 26 geclaimde schilderijen door Katz geheel vrijwillig verkocht aan Alois Miedl, die in 1940 de Amsterdamse kunsthandel van de omgekomen Jacques Goudstikker had overgenomen. Benjamin Katz stond met Miedl op zeer vriendschappelijke voet en het was niet Miedl's gewoonte om handelaren tot verkoop te dwingen.

Voor De Vries waren deze gegevens geen aanleiding om de zaak te onderzoeken. Aan de advocaat van Katz schreef hij op 21 mei 1947 dat één van de geclaimde schilderijen nog niet naar Nederland was teruggekeerd, het Interieur met Papegaai van Pieter de Hooch. Dit doek, dat, zoals uit het SNK-dossier bleek, door Katz aan Miedl was verkocht, had Miedl in 1944 meegenomen op zijn vlucht naar Spanje. Ook was het De Vries inmiddels bekend dat 'de Heeren Katz' nog enkele andere schilderijen uit de lijst van 26 aan Miedl hadden verkocht. “ Ik wil hieraan niet teveel aandacht wijden, hoewel ik natuurlijk besef dat de verkoop aan Miedl niet direct als een verkoop onder grote dwang kan worden beschouwd. (-) Ik hoop echter dat de door ons overeengekomen minnelijke schikking toch voortgang zal kunnen vinden.”

Dat gebeurde. Het Beheersinstituut gaf De Vries in augustus 1947 zijn zin en machtigde het SNK om de doeken af te geven. Op 10 december 1947 kregen de gebroeders Katz alle schilderijen die ze gevraagd hadden terug. De drie schenkingen gingen naar het Rijksmuseum en het Mauritshuis.

Steekpenningen

Maar daarmee was de kous niet af. Een half jaar later, op 9 juli 1948 werden A.B. de Vries en Benjamin Katz gearresteerd op verdenking van fraude. Nathan Katz woonde nog in Bazel. Hoewel hij later door de officier van justitie als het brein achter de onjuiste claims werd beschouwd, bleef hij buiten vervolging. Hij overleed in 1949.

De affaire Katz-De Vries kwam in het voorjaar van 1948 aan het licht nadat een van de waarnemend directeuren van de SNK, Van W. was aangehouden. Deze Van W. werd in 1949 tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens oplichting, diefstal en verduistering. Hij had gerecupereerde kunstwerken die afkomstig waren van joodse Nederlanders clandestien laten veilen bij kleine veilinghuizen in de provincie en andere kunstwerken in zijn privé-collectie ondergebracht. Hij had gesjoemeld met taxaties en steekpenningen aangenomen. De collectionneur Leo Nardus had hij proberen af te schepen met een vervalsing van een Velázquez - het originele schilderij dat door Nardus werd geclaimd was wel gerecupereerd naar Nederland, maar weggeraakt.

Bij het onderzoek naar de misdrijven van Van W. rees bij justitie het vermoeden dat er veel meer 'onregelmatigheden' waren gepleegd bij de SNK. De rechter-commissaris liet daarom beslag leggen op de hele administratie van de Stichting. Bij de controle daarvan werd al snel duidelijk dat de claim van de firma Katz niet deugde en dat de Katzen door toedoen van De Vries waren bevoordeeld. Verder bleek uit de correspondentie van De Vries ondermeer dat hij uit de Amerikaanse zône in Duitsland en ook uit Frankrijk schilderijen had laten recupereren waarvan hij wist dat ze niet uit Nederland afkomstig waren.

Om te voorkomen dat het onderzoek werd belemmerd en vooral om bij ondergeschikten van De Vries de angst weg te nemen tot het afleggen van verklaringen, liet de Haagse officier van justitie zowel de Vries als Benjamin Katz arresteren en in hechtenis nemen. Na een week, op 17 juli 1948, kwamen ze weer vrij, maar het gerechtelijk vooronderzoek zou nog bijna drie jaar in beslag nemen. De Vries werd na zijn vrijlating afgezet als directeur van de SNK. Hangende het onderzoek mocht hij na een schorsing van enkele maanden wel aanblijven als directeur van het Mauritshuis.

De arrestatie van De Vries sloeg in als een bom. In mei 1948, bij de aanhouding van Van W., hadden de kranten al uitvoerig bericht over de 'knoeierijen' bij de SNK. Nu, in juli '48, repten de krantenkoppen over een 'miljoenenoplichting' die 'ernstige internationale gevolgen zal hebben'.

Twee maanden later, in september '48, kwam de Volkskrant nog eens op de zaak terug: “Gaat de affaire Katz de doofpot in?”, zo vroeg deze krant zich af. “Dr. de Vries werd voorlopig van zijn functie ontheven en dat is dan 't laatste wat een enigszins verbijsterd publiek over deze geruchtmakende affaire heeft gehoord.” Ook meldt het artikel : “Justitie zwijgt na de arrestatie en vrijlating van directeur Stichting Kunstbezit.”

Het publiek zou inderdaad niets meer te horen krijgen over de affaire. Bij de afronding van het gerechtelijk vooronderzoek tegen Katz en De Vries, in het voorjaar van 1951, achtte de minister van Justitie het 'raadzaam deze zaak maar niet publiekelijk op te rakelen' en het door de officier van justitie opgestelde perscommuniqué werd dan ook niet wereldkundig gemaakt.

Scherven

Maar al kwam er niets naar buiten, de officier van justitie die het onderzoek tegen Katz en De Vries leidde, de rechter-commissaris en de recherche zaten niet stil tussen juli 1948 en januari '51. Hun onderzoek was, zoals het hoofd van het Haagse Parket in januari '51 aan de Haagse procureur-generaal schreef 'zeer uitgebreid en nauwgezet' geweest.

Het resultaat van dit onderzoek is nu nog terug te vinden in de archieven van het ministerie van Justitie, van de procureur-generaal in Den Haag en van de SNK. Hieruit blijkt dat de SNK-administratie tot op de komma's werd nageplozen. De Vries en Katz werden aan uitvoerige verhoren onderworpen en tientallen getuigen - employé's van de SNK, de firma Katz, de kunsthandel van Miedl en zelfs Miedl in eigen persoon - werden opgeroepen om verklaringen af te leggen. Op basis van alle verzamelde gegevens schreef de Haagse officier van justitie die belast was met 'corruptiezaken', W.H. Overbeek, begin 1951 een 43 pagina's tellend verslag over het gerechtelijk vooronderzoek. Uit

Pagina cs 2: De dubbele agenda van A.B. de Vries

dat verslag en uit de procesverbalen waarin de getuigenverklaringen zijn opgetekend komt niet alleen de affaire-Katz tot in details naar voren, de documenten geven ook een schrijnend beeld van de beestenbende die de SNK was.

Zo vertelde de toezichthouder van twee grote SNK-depots in Zandvoort en Heemskerk, waar de gerecupereerde kunst werd opgeslagen, dat er voor het beheer van deze depots nauwelijks regels bestonden. Iedereen kon er zomaar in en uit lopen, er was geen enkele controle, overal lagen kleine kunstvoorwerpen voor het grijpen. Doordat maar een klein deel van de inventaris was geregistreerd, werden vermissingen niet eens opgemerkt. Bij kunsttransporten uit Duitsland werden wasmanden vol kleine voorwerpen als zilveren doosjes, ivoren schaakspelen of serviesgoed 'in een vloek en een zucht naar binnen gesmeten' zodat later de scherven moesten worden opgeruimd. In een van de kluizen stond een vracht schilderijen 'waar ieder kenmerk aan ontbrak' en die waarschijnlijk helemaal niet in Nederland thuishoorden. “Er stonden kisten met juwelen en siervoorwerpen, de collectie Mannheimer en Gutmann, zonder nummer of iets.” In de opberging van de kunstwerken zat geen enkel systeem en niemand bij de SNK wist waar wat te vinden was. Op de gekste plekken kwamen ineens schilderijen of tapijten te voorschijn, zoals op de vochtige vliering van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie dat net als de SNK onder leiding stond van De Vries. In de directiekamer van de SNK heerste - nog altijd volgens dezelfde getuige - een 'lichtzinnigheid' die 'aanstootgevend' was. 'Schilderijen, boeken, kleine voorwerpen enz.', iedereen kon alles meepakken.

De 'meer dan schandelijke behandeling der gerecupereerde goederen' kwam ook in verklaringen van andere SNK-medewerkers aan de orde. Over de chaos in de administratie en documentatie werd een boekje opengedaan door twee medewerkers die ontslag hadden genomen omdat zij meenden hun 'goede naam en eer niet langer te moeten verbinden' aan deze Stichting. Zij vertelden hoe allerlei claims van particulieren op een 'onjuiste wijze' waren behandeld. Bovendien had de SNK ettelijke malen verzuimd in Duitsland kunstwerken op te vragen die in Nederland waren geconfisqueerd en waarvoor de eigenaren aangifte hadden gedaan.

Er waren ook verklaringen waarin rechtstreekse aantijgingen tegen De Vries werden geuit. Zo zou De Vries aan een van zijn assistenten een gerecupereerd schilderij als afscheidscadeau hebben gegeven. Een andere getuige verhaalde hoe De Vries van sommige schilderijen de lijsten afhaalde en die lijsten naar zijn eigen museum, het Mauritshuis, stuurde. Ook had De Vries hem opdracht gegeven 'nooit met iemand te spreken' over de gerecupereerde kunstwerken uit de Goudstikker-collectie 'daar er anders niets zou overblijven voor de musea'. Drie gerecupereerde schilderijen, waarvan één uit de Goudstikker-collectie, had de Vries in zijn woning opgehangen.

Dat er niet over de Goudstikker-collectie mocht worden gesproken, kon De Vries zich niet meer herinneren, maar de overige beschuldigingen werden door hem tegenover de politie erkend. Hij gaf toe dat zijn handelingen 'volkomen mis' waren, maar hij verklaarde nadrukkelijk dat hij daarbij 'op geen enkel persoonlijk voordeel bedacht' was geweest.

Roekeloos

Tijdens het onderzoek werd stukje bij beetje duidelijk hoe roekeloos De Vries had gehandeld bij de teruggave van de schilderijen aan de gebroeders Katz. Niet alleen waren verschillende doeken tijdens de oorlog vrijwillig, zonder enige dwang en soms op eigen initiatief van de Katzen verkocht en hadden de Katzen er veel meer voor gekregen dan ze later aan de SNK opgaven, één van de schilderijen, De tandarts van Gerard Dou bleek niet in de oorlog, maar al in 1939 door de firma van de hand te zijn gedaan. Ook dit feit had De Vries makkelijk kunnen achterhalen. Een doek van Albert Cuyp, Het Jachtgezelschap, was in 1947 nog niet uit Duitsland teruggekeerd, waarop De Vries tegen alle regels in had besloten om de gebroeders Katz dan maar een ander doek van Cuyp te geven.

De Vries gaf in zijn proces-verbaal toe dat hij de Katzen 'meer dan anderen' had bevoordeeld. Omdat hij bevriend was met de broers en speciaal met Nathan, had hij hun aanspraken 'als volkomen te goeder trouw' aanvaard.

Van de twee broers werd alleen Benjamin verhoord omdat Nathan immers in Bazel zat. Benjamin gaf toe dat een groot deel van de claims niet klopte, maar hij beriep zich op het feit dat de boekhouding van de firma na de oorlog was verbrand en hij dus alleen op zijn geheugen moest afgaan. Juist daarom had hij aan De Vries gevraagd om voordat er iets werd teruggegeven eerst nauwkeurig te onderzoeken of de kunstwerken waren verkocht en onder welke condities. Hij had niet opzettelijk een valse opgave verstrekt, er waren vergissingen in het spel geweest doordat hij zich niet alles meer kon herinneren.

De officier van justitie stond in zijn onderzoeksverslag in 1951 uitvoerig stil bij de omstandigheden waarin de Katzen tijdens de oorlog verkeerden. “Ongetwijfeld is het juist dat deze familie, gelijk alle joodse Nederlanders, in die tijd zeer geleden heeft. Ik meen echter dat de familie Katz hierbij relatief in een uitzonderlijk gunstige positie heeft gestaan door de belustheid van de bezetter tot het kopen van kunstwerken. (-) De firma Katz heeft in het begin van de oorlog in hoge mate geprofiteerd van de door de Duitse kooplust opbloeiende kunstmarkt.” Nathan Katz, die in '49 was overleden, achtte hij 'meer aansprakelijk' voor de onjuistheden in de claims dan Benjamin. Bovendien was ook de advocaat van de Katzen een drijvende kracht geweest bij het indienen van de onjuiste claims. De uiterst zwakke gezondheidstoestand van Benjamin Katz was nog een argument om de strafvervolging tegen hem niet voort te zetten. Maar Katz werd wel aansprakelijk gesteld voor de schade die hij de Nederlandse staat had toegebracht door het claimen van de schilderijen.

Hoe groot die schade precies was, viel moeilijk vast te stellen doordat Katz drie kunstwerken aan de staat geschonken had. Dat moest erin worden verdisconteerd. Na veel geharrewar kwam de Landsadvocaat eind 1951 met Katz overeen dat hij het schilderij De tandarts zou teruggeven en een bedrag van 183.250 gulden aan de staat zou overmaken.

Verduistering

De Vries leek er aanvankelijk minder genadig vanaf te komen. Bij het onderzoek waren behalve de teruggave van de schilderijen aan Katz zoveel andere strafbare feiten boven water gekomen, dat de Haagse procureur-generaal na overleg met de officier van justitie besloot om De Vries te laten dagvaarden op verdenking van 'verduistering en valsheid in geschrifte subs. oplichten'. Met de ten laste gelegde 'verduistering' doelde hij op het doek van Albert Cuyp dat De Vries aan Katz had gegeven als vervanging van een ander doek dat nog niet gerecupereerd was. De 'valsheid in geschrifte' had ondermeer betrekking op drie schilderijen die De Vries had opgevraagd bij de Franse autoriteiten en bij het Amerikaanse bezettingsleger en die hij naar Nederland had laten brengen hoewel hij wist dat ze in de oorlog niet uit Nederland, maar uit Frankrijk waren ontvreemd.

Dit laatste was een heikel punt. De Vries had de beschuldiging toegegeven, maar hij verklaarde dat hij de drie doeken als ruilmiddel had willen gebruiken tegenover de Fransen die op hun beurt uit Nederland afkomstige kunstwerken in hun bezit hadden.

De officier van justitie had over deze kwestie in zijn verslag geschreven dat er geen onderzoek was ingesteld bij de Amerikaanse autoriteiten 'om niet teveel een Nederlandse instantie in het buitenland in opspraak te brengen.' Met die instantie bedoelde hij de SNK. Als de Amerikanen - maar ook de Duitsers en Fransen - er lucht van zouden krijgen dat Nederland zich valselijk kunstwerken had toegeëigend, zouden de gevolgen niet te overzien zijn. De Vries had bij de politieverhoren wijselijk verzwegen dat behalve deze drie schilderijen waarvoor hij persoonlijk verantwoordelijk was, door de SNK nog veel meer kunstwerken naar Nederland waren gerecupereerd die hier niet thuishoorden. De beheerder van het depot in Heemskerk sprak in zijn getuigenverklaring over een collectie schilderijen die bekend stond als de 'Jaffé-loot', de buit van Jaffé. Het ging om tientallen doeken die door kunsthistoricus H.L.C. Jaffé uit Baden-Baden naar Nederland waren gestuurd, hoewel ze hier niet werden vermist. Het is onwaarschijnlijk dat de Vries hier niets van afwist, maar hij sprak zich er niet over uit.

De angst dat de Nederlandse kunstrecuperatie in het buitenland in opspraak zou komen, speelde op de achtergrond voortdurend een rol bij het onderzoek. Die angst was ook de reden dat de officier van justitie zijn verzoeken aan buitenlandse autoriteiten om strafrechtelijke hulp op de naam van Katz stelde en niet op die van De Vries.

De kans dat door het onderzoek tegen De Vries 'de Nederlandse goede naam in het buitenland, op het gebied van de restitutie, in het geding' zou komen, baarde niet alleen de officier van justitie zorgen, maar ook de ministers van Financiën, van Justitie en van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen, die onderling over de zaak correspondeerden. De ongerustheid van de bewindslieden was vooral aangewakkerd door een brief die D.C. Roëll, directeur van het Rijksmuseum en voorzitter van de Raad van Beheer van de SNK eind 1948 naar de minister van Financiën stuurde. Roëll waarschuwde hierin dat een voortzetting van de juridische procedure tegen De Vries 'in het buitenland en vooral in Duitsland een slechte indruk zou maken', dat de verdere afwikkeling van de recuperatie hierdoor in gevaar kwam, dat dit 'Nederlands internationale positie' ongetwijfeld zou aantasten. Bij de Duitsers, zo betoogde hij, bestond toch al weinig begrip voor het feit dat ze kunstwerken moesten afstaan die in de oorlog geheel vrijwillig door Nederlandse handelaren waren verkocht en als men nu in Nederland ruzie ging maken over aan wie die kunstwerken toebehoorden, dan kon het weleens afgelopen zijn met de kunstrecuperatie. Temeer omdat de invloed van de Duitsers op de Engelse en Amerikaanse gezagvoerders voortdurend toenam.

Roëll gaf in zijn brief overigens een volkomen scheef beeld van de recuperatie. Zo schreef hij dat de SNK erin geslaagd was 'het overgrote deel van het geroofde Nederlands kunstbezit naar Nederland terug te voeren.' Het kan niet anders, of hij wist als voorzitter van de Raad van Beheer van de SNK dat dat niet waar was: vooral van de werkelijk geroofde kunst, het geconfisqueerde joodse bezit, kwam verreweg het grootste deel niet terug doordat de SNK zich daar nauwelijks voor heeft ingespannen.

Misschien kwam het doordat Nederlands internationale reputatie op het spel stond, misschien doordat De Vries, bij al zijn laakbare handelingen, nooit zichzelf had willen bevoordelen, dat de zaak in april 1951 ineens een gunstige wending voor hem nam. In zijn bezwaarschrift tegen de dagvaarding, dat hij in maart had ingediend, kon hij geen nieuwe argumenten aanvoeren om zijn onschuld te bewijzen. Maar in april besloot de Raadkamer van de Haagse arrondissementsrechtbank dat De Vries buiten vervolging werd gesteld en dus niet meer voor de rechter hoefde te komen 'wegens onvoldoende aanwijzing van schuld'. De officier van justitie tekende tegen deze beschikking, die verder niet werd gemotiveerd, geen hoger beroep aan.

De zaak was gesloten. De Vries bleef tot 1954 directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en tot 1970 van het Mauritshuis. Hij overleed in 1983. De 'affaire-Katz' werd nooit meer opgerakeld. Wel werden in interviews bij zijn afscheid als directeur van het Mauritshuis herinneringen opgehaald aan de triomfantelijke jaren waarin hij als dapper 'kunstmajoor' de Hollandse schatten terugbracht naar het vaderland.

Eminent belang

Bij alle verhoren die hem in 1948 en '49 werden afgenomen, heeft De Vries consequent één cruciaal gegeven achtergehouden, zo blijkt nu uit archief-onderzoek van NRC Handelsblad. In het jaar 1947 waarin de gebroeders Katz de schilderijen terugvroegen en -kregen, stond De Vries voortdurend in contact met Nathan Katz over een schilderij 'van eminent belang' dat hij met behulp van Katz voor zijn Mauritshuis wilde verwerven. Het was het laatste Zelfportret van Rembrandt uit 1669. Het schilderij was eigendom van Ernst Rathenau en zijn zuster Ellen Ettlinger, Duitse joden die in 1938 uit Berlijn naar New York en (de zuster) naar Engeland waren gevlucht.

Van 1925 tot 1940 had het Zelfportret als bruikleen in het Rijksmuseum in Amsterdam gehangen. Toen Rathenau het in 1938 terug wilde hebben, werd hem dat door de toenmalige directeur van het Rijksmuseum, F. Schmidt-Degener uit angst voor Duitse represailles geweigerd, hoewel Rathenau volledig in zijn recht stond. (Zie: Rathenau's Rembrandt ).

In september 1940 namen de Duitsers het doek als joods-vijandelijk bezit in beslag en kwam het terecht in de verzameling van Hitler. Eind 1945 werd het naar Nederland gerecupereerd. Rathenau diende vanuit New York onmiddellijk een claim in, maar hij werd door De Vries aan het lijntje gehouden. De Vries kende de vooroorlogse geschiedenis van het doek, hij wist dat het van Rathenau was en dat die het al in 1938 terug had horen te krijgen, maar toch weigerde hij het schilderij af te geven. Rathenau moest eerst via zijn Nederlandse advocaat schriftelijke bewijzen overleggen dat hij en zijn zuster de eigenaren waren en een 'officieel verzoek' tot teruggave indienen. Dat leek misschien wat formeel, maar hij kon er ook niets aan doen, het waren nu eenmaal de regels, zo liet de Vries hem in november 1946 zoetsappig weten.

Het is niet zeker of De Vries toen al zijn zinnen op het Zelfportret had gezet en daarom de teruggave traineerde, maar kort daarna, in maart 1947, stuurde De Vries Nathan Katz op Rathenau af. Katz moest proberen het Zelfportret aan te kopen voor het Mauritshuis. Tussen maart en juli 1947 bestookte De Vries Nathan Katz met brieven waarin hij Katz smeekte om het doek in zijn bezit te krijgen.

In dezelfde maanden dat de Vries als directeur van de SNK de schilderijen-claim van de firma Katz, tegen alle waarschuwingen in, zo welwillend en coulant behandelde, had hij Nathan Katz dus nodig als geldschieter voor een belangrijke aanwinst van het Mauritshuis.

De brieven van De Vries aan Katz - die voor een deel nog in het archief van het Mauritshuis liggen - maken duidelijk hoezeer De Vries erop gebrand was het Zelfportret te bemachtigen en hoe hij Nathan Katz onder druk zette om het te kopen en in een later stadium, wanneer de Vries genoeg geld had ingezameld, over te doen aan het Mauritshuis. “U zou Nederland een grote dienst bewijzen door het nu te kopen. (-) Ook de Nederlandse regering zou U zeer erkentelijk zijn als door uw bemiddeling deze Rembrandt voorgoed in Nederlands openbaar bezit kwam”, zo vleide hij Katz op 9 mei 1947. En anderhalve maand later: “Ik hoop dat U met uw onvermoeide pogingen om tot een goed resultaat te komen, succes hebt. Ik acht deze zaak van zo groot belang dat wij niets ongedaan mogen laten om dit schilderij voor Nederland en in casu het Mauritshuis te behouden.”

Aanvankelijk leek Katz te zullen slagen in de aankoop, maar in juli 1947 ketste het op het laatste nippertje af doordat Katz niet aan de benodigde deviezen kon komen. (De Rathenau's wilden in ponden en dollars worden betaald). De Vries moest nu zelf op zeer korte termijn - Rathenau werd ongeduldig - geld zien te vinden voor de aankoop. Hij sprak alle mogelijke potjes en fondsen aan, tot en met de kas van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie waar hij vijfduizend gulden uithaalde, en opnieuw deed hij een beroep op Katz om hem te helpen 'het ontbrekende bedrag bijeen te brengen'. “Ik heb wel een zekere verwachting dat ik ook ditmaal niet vergeefs een beroep op U heb gedaan”, zo schreef hij Katz in november 1947. Die verwachting kwam uit. Katz wist verschillende van zijn 'relaties', zoals enkele Twentse textielbaronnen, over te halen tot schenkingen van tienduizenden guldens voor de Rembrandt.

In december 1947, de maand waarin de Katzen hun geclaimde schilderijen terugkregen, kwam het Zelfportret in bezit van het Mauritshuis waar het nu nog altijd te bezichtigen is.

Verklaring

Tijdens de politieverhoren in 1948 en '49 had de Vries wel verteld dat hij al jarenlang bevriend was met Nathan Katz. Hij had ook weleens een geldbedragje van hem gekregen, maar dat was voor 'bewezen privédiensten' geweest. Die vriendschap, zo vond hij, was geen belastend gegeven, in tegendeel. Het verklaarde juist dat hij geen enkel wantrouwen had gehad tegenover de aanspraken van de Katzen.

Als De Vries ook verteld had hoe hij als directeur van het Mauritshuis in 1947 geheel afhankelijk was geweest van Nathan Katz' medewerking bij het verwerven van de Rembrandt, had de officier van justitie ongetwijfeld een verband gelegd tussen de bevoordeling van de Kzen door De Vries als directeur van de SNK en de diensten die Nathan Katz hem bewees als directeur van het Mauritshuis. De Vries' positie bij het Mauritshuis was door de Katz-affaire al wankel geworden, maar als dit boven tafel was gekomen, zou die positie onhoudbaar zijn geweest. Dat moet De Vries hebben beseft en daarom verzweeg hij angstvallig alles wat Nathan Katz voor hem had gedaan.

In zijn slotbeschouwing bij het verslag over het gerechtelijk vooronderzoek in de strafzaak tegen De Vries en de gebroeders Katz stond de officier van justitie uitvoerig stil bij de vraag wat De Vries toch bezield had om de Katzen zo te bevoordelen. Waarom had hij de schilderijen teruggegeven, hoewel hij wist dat de claim in allerlei opzichten onrechtmatig was? “Wat stak hierachter?” De 'gunstigste verklaring' lag volgens hem in de 'persoonlijke sympathie' die De Vries voor de Katzen koesterde. Maar daarnaast, zo meende hij, had ook de schenking van de Katzen aan de Nederlandse musea van de portretten van Van Heemskerck en de schets van Rubens een rol gespeeld. Hij besloot zijn betoog dan ook met de opmerking dat voor De Vries 'waarschijnlijk in alles het Museale belang voorop stond, hetgeen mede geleid heeft tot de onregelmatigheden.'

De officier van justitie wist zelf niet hoezeer hij met die conclusie de spijker op de kop sloeg.