Flauwekul

Toen in 1956 Wladyslaw Gomulka, onder tandengeknars van de Sovjet-Unie, een communisme in Polen introduceerde dat afweek van het sovjetmodel, waren er die hem aanspoorden zijn land ook op buitenlands-politiek gebied losser te maken van de machtige buurman. Hierop placht Gomulka te antwoorden: “Helaas ligt Polen niet in Australië.”

Zo'n inzicht in de geopolitieke realiteiten van de dag blijkt niet uit de opmerking van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, dat, als hij minister van Buitenlandse Zaken zou zijn, “niet Europa, maar Afrika eerste prioriteit” zou hebben. Wat Europa betreft, zou voor hem dan gelden: “Effe dimmen.”

Deze opmerking, die hij vorige week zaterdag maakte op een bijeenkomst te Utrecht van de Evert Vermeer Stichting, is niet helemaal van belang ontbloot, omdat het Pronks ambitie is, zoals hij dat opnieuw toegaf, in een volgend kabinet de portefeuille te krijgen die nu zijn collega Van Mierlo heeft.

We mogen aannemen dat Pronk, als afgestudeerd econoom, genoeg inzicht heeft in de economische realiteiten van vandaag om te beseffen dat het, zeker na totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie (EMU), voor Nederland niet zo gemakkelijk zal zijn zijn prioriteiten naar andere gebieden dan Europa te verleggen.

We mogen ook aannemen dat hij, die geen politieke dromer is, zich ervan bewust is dat zo'n verlegging van prioriteiten haar consequenties heeft, wil zij niet loos blijven. Zo zal Nederland dan bereid moeten zijn om ook in Afrika, wanneer het doel van conflictbeheersing (dat bij hem hoog op het lijstje staat) dat vergt, militair in te grijpen. Maar is hij daarvoor niet weer van de medewerking van Nederlands Europese partners afhankelijk?

Ook intern zou Pronks ministerschap van Buitenlandse Zaken consequenties hebben. Hij zei weliswaar in Utrecht dat hij zich dan “niet met Ontwikkelingssamenwerking zou bemoeien”, maar als het zwaartepunt van zijn politiek in Afrika - hij haalde er ook nog Azië en Latijns Amerika bij - zou komen te liggen, wat zou er dan voor zijn collega van Ontwikkelingssamenwerking overblijven?

Die collega zou, gegeven de politieke realiteit in ons coalitieland, waarschijnlijk geen partijgenoot van Pronk zijn. De conflicten op het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar beide ministers huizen, zijn dan voorgeprogrammeerd, te meer omdat Pronk er niet de man naar is zijn medebewoner dezelfde ruimte te geven die Van Mierlo hem tot zijn spijt gelaten heeft.

Ja, we zouden niet verbaasd mogen zijn als Pronk dan plotseling onderschikking van Ontwikkelingssamenwerking - in de vorm van een staatssecretariaat bijvoorbeeld - aan de minister van Buitenlandse Zaken zou gaan bepleiten. Dat zou ook heel redelijk zijn, maar tot nu toe heeft Pronk, zolang hijzelf Ontwikkelingsamenwerking onder zich had, zich met hand en tand tegen dat idee verzet.

Dat Ontwikkelingssamenwerking een aparte minister heeft, is langzamerhand een verworven recht geworden. Ook Van Mierlo heeft zich erbij neergelegd. In het dubbelinterview met Pronk dat in het maartnummer van Internationale Samenwerking stond, zegt hij: “Ik kan mij heel goed voorstellen dat een land geen minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft” - later zegt hij zelfs: “De verantwoordelijkheid voor het hele buitenlandse beleid moet in één hand liggen” - “maar in Nederland is dat anders gegroeid. Met de naam die we hebben zou Nederland een merkwaardige indruk maken als we van de minister een staatssecretaris maken.”

Een kulargument, dat minister-president Kok ook heeft gebezigd. Het Reformatorisch Dagblad van 18 maart had daar een afdoend antwoord op: als een ontwikkelingsland “geld van Nederland krijgt, zal het de regering daar om het even zijn of een minister of een staatssecretaris de controle op de besteding uitoefent”.

Het blad trekt daar de voorlopige conclusie uit “dat Ontwikkelingssamenwerking alleen maar een ministerie blijft omdat dat vanuit binnenlandse politiek opzicht opportuun is. Dat nu is een uitermate zwakke basis voor het instandhouden van een ministerie.” Inderdaad. We kunnen verder gaan: het ministerie bestaat alleen maar teneinde het desbetreffende kabinet - want ook in centrum-rechtse kabinetten bestond er een apart ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking - een progressief of althans 'medemenselijk' gezicht te geven.

In een kabinet waaraan de PvdA deelneemt, is die ratio voor een apart ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking vanzelfsprekend verder naar links opgeschoven. Dan is het om de linkervleugel van de PvdA zoet te houden of - en dat geldt nu bij uitstek - om de kiezers ervan te weerhouden gevolg te geven aan de lokstem van GroenLinks en SP.

Zou Pronk niet hetzelfde doel voor ogen hebben gehad toen hij in Utrecht zijn ideeën over Nederlands buitenlands beleid ontvouwde? Hij is realist genoeg om te beseffen dat een verlegging van prioriteiten praktisch onmogelijk is; ja, realist genoeg om te beseffen dat hij geen kans maakt ooit minister van Buitenlandse Zaken te worden - zeker niet onder Kok, die, zoals Pronk in dat dubbelinterview zelf zei, “nogal eens de wenkbrauwen fronst” over zijn eigengereidheid.

We mogen dus rustig aannemen dat Pronk daar in Utrecht alleen maar voor de galerij gesproken heeft. Hij weet, zoals hij in het Algemeen Dagblad van 20 december zei, dat “in onze maatschappij de marges voor hervormingen smal zijn”, maar zal dat tegen zijn achterban niet zo gauw zeggen.

Overigens - en dit zal na het voorgaande menigeen misschien verrassen - zou Pronk helemaal niet zo'n gekke minister van Buitenlandse Zaken zijn: hij is realist en heeft een goed gevoel voor macht, zou dus - voor zover hij nú al niet mocht weten dat zijn gepraat over verlegging van prioriteiten flauwekul is - spoedig inzien hoe de kaarten liggen; hij is intelligent en kent zijn dossiers uitstekend; en - niet het onbelangrijkst - hij zou zich noch in de ministerraad noch in het Europees beraad gauw de kaas van het brood laten eten.

Daar staat tegenover dat tact niet zijn meest in het oog lopende eigenschap is. Ook zou hij zijn neiging eindeloze monologen te houden moeten leren in te tomen, want die werken, behalve bij zijn achterban, in elk gremium contraproductief. De Nederlandse schoolmeester, die alles beter weet, ergert buitenlanders meer dan dat hij hen overtuigt. Deze beoordeling mag dus niet als een steunbetuiging aan Pronks kandidatuur voor Buitenlandse Zaken worden beschouwd.