Een eeuw huisvrouwenleven; Schoon genoeg van bleken en blauwen

Ruth Oldenziel & Carolien Bouw (red.): Schoon genoeg. Huisvrouwen en huishoudtechnologie in Nederland, 1898-1998. SUN, 272 blz. ƒ 34,50 De tentoonstelling 'Beroep Huisvrouw. 1898-1998: 100 jaar huisvrouwenleven in de grote stad', in het Amsterdams Historisch Museum duurt tot 16 augustus.

Tot de zegeningen van de twintigste eeuw behoren - ongeveer in volgorde van verschijning - de naaimachine, het strijkijzer, de stofzuiger, de ijskast en de wasautomaat. Aan die lijst zijn natuurlijk nog vele elektronische snufjes toe te voegen - frituurmachine, magnetron, haarföhn, wasdroger, eierkoker, keukenmachine, messenslijper etcetera - maar daarvan is het vanuit het perspectief van de huisvrouw al veel twijfelachtiger of het wel een voordeel is dat ze bestaan.

In de bundel Schoon genoeg worden de veranderingen die zich deze eeuw voordeden in het huishouden en de geschiedenis van de twintigste-eeuwse huishoudtechnologie beschreven vanuit de vraag naar de arbeidsverdeling tussen de seksen en emancipatie van vrouwen.

De achtergrond van die vraag is niet alleen technologisch maar ook ideologisch van aard. Het fenomeen van de door een kostwinner onderhouden voltijdse 'huisvrouw' is nog maar zo'n eeuw oud. Zij was de uitkomst van een ontwikkeling waarin de leefsferen van mannen en vrouwen steeds meer gescheiden raakten en vrouwen werden veroordeeld tot een bestaan binnenshuis. Met de opkomst aan het eind van de vorige eeuw van een vrouwenbeweging die juist voor vrouwen een rol opeiste in het openbare leven, werd ook het huishouden onderwerp van publiek debat. Daarin namen de partijen vanuit hedendaagse stellingen geredeneerd soms onverwachte posities in. Zijn wij nu geneigd feminisme en huishouden als tegengestelden te zien, in de negentiende eeuw lag dat anders. Het waren juist de meer geëmancipeerde vrouwen die het huisvrouwschap (net als het moederschap) als vak trachtten op te waarderen door te wijzen op de kennis en de kundes die het verantwoord uitoefenen van dat beroep vereiste. Met die visie weerspraken ze de gangbare mannelijke minachting voor of zelfs ontkenning van deze vorm van vrouwenarbeid. Droegen zaken als hygiëne en verantwoorde voeding niet wezenlijk bij aan de volksgezondheid en het welzijn van de samenleving? En moest dat niet bijvoorbeeld worden betaald, zoals de radicale Wilhelmina Drucker vond? Het waren feministisch geïnspireerde vrouwen die in 1912, tijdens de strijd om het vrouwenkiesrecht, de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen oprichtten, en in de decennia daaraanvoorafgaand de huishoudscholen. Niet, zoals later de praktijk werd, als school voor meisjes uit de lagere klassen maar juist als de opleiding waar burgerdochters zouden leren hun huishouding verantwoord te bestieren.

Ketenen

Toch: hoe terecht vrouwen als Tesselschade-voorzitster Jeltje de Bosch Kemper en kookboekenschrijfster Martine Wittop Koning het maatschappelijk belang van een goede huishoudvoering ook onderstreepten, met hun streven sloegen ze hun sekse in de ketenen. Hun campagne sloot vrouwen als het ware op in de scheiding der sferen die nu juist zo'n valkuil was. Naast de tendens tot opwaardering van het huishouden, waarmee natuurlijk ook van de nood een deugd werd gemaakt, valt dan ook steeds de omgekeerde feministische strategie te constateren: die van het afschaffen of zoveel mogelijk reduceren van de huishoudlast.

Afschaffing bijvoorbeeld door middel van collectivisering. Tal van meer of minder uitgewerkte utopieën zijn de afgelopen honderdvijftig jaar op schrift gesteld, droomsamenlevingen waarin huishouden geen particuliere aangelegenheid meer zou zijn. Schrijfster Charlotte Perkins Gilman bijvoorbeeld, voorvechtster van vrouwelijke economische zelfstandigheid, bepleitte rond 1900 appartementengebouwen waarin men de gezinsmaaltijd gebruikte of ophaalde in een bij de flats behorend restaurant.

In de Verenigde Staten zijn dergelijke appartementsgebouwen wel verwezenlijkt, in Nederland bij mijn weten niet voor gezinnen. Wel kende Amsterdam Het Nieuwe Huis, een flatgebouw met kleine wooneenheden voor alleenstaanden (m/v) waar opvallend veel feministen en ook bijvoorbeeld wijlen het PvdA-kamerlid mr Corry Tendeloo hebben gewoond. Dit Nieuwe Huis (het opende in 1928) beschikte van oorsprong over een centrale eetzaal; privé konden de bewoners slechts een kopje thee zetten. Maar het coöperatieve restaurant werd na de oorlog omgebouwd tot buurtbibliotheek.

Initiatieven als de volksgaarkeukens (uit de jaren twintig) en de wasserette van de jaren zestig mislukten eveneens, in dit geval doordat ze zich niet wisten te ontdoen van een aura van armoede en treurigheid. Wat jammer is, want er valt veel te zeggen voor de afschaffing van het huishouden. Naarmate echter de Nederlandse vrouw over meer woonruimte en geld beschikte, prefereerde zij toch een eigen wasmachine boven die morsige zaaltjes. De meesten onzer blijken uitbesteding van taken (werkster, boodschappendienst, oppas, strijkservice, was de deur uit) een aantrekkelijker oplossing te vinden dan collectivisering. Er begint zich momenteel dan ook - eindelijk - een particuliere sector te ontwikkelen waar men uiteenlopende vormen van persoonlijke dienstverlening kan inhuren. Zulke dienstverlening ontlast de huisvrouw of -man aanmerkelijk meer dan een compleet arsenaal aan elektrische apparatuur.

Die stelling laat zich goed onderbouwen met de aardige hoofdstukken die in Schoon genoeg zijn gewijd aan de belangrijkste huiselijke taken met hun bijbehorende techniek. Zoals het door antropologe Irene Cieraad samengestelde 'beeldverhaal' over wassen, drogen en strijken. Het typeert de veranderingen die de huishouding deze eeuw doormaakte, dat zelfs allerlei werkwoorden over 'de behandeling der wasch' verdwenen zijn: mangelen, wringen, bleken, blauwen, invochten, voorvouwen, stijven - wie doet er nog aan, sterker nog: wie weet nog wat het is? Ook de associatie 'maandag wasdag' is verdwenen; ze hoorde bij een procedure waarin de was op zondagavond in de week werd gezet teneinde de volgende dag in grote ketels met soda te worden gekookt. Pas nadat op vrijdag het gestreken goed zorgvuldig in de linnenkast was gevlijd, was de procedure volvoerd, waarna de volgende cyclus alweer een aanvang nam.

De verschillen tussen stad en platteland in deze waren groot. Van lekker luchtig uithangen in de frisse Hollandse wind of van bleken op een dorps grasveld, zoals het beeldverhaal laat zien, was op een Amsterdams bovenhuis geen sprake. Ik herinner me maar al te goed hoe wij ons in 1970 nog door de lakens en onderbroeken van alle andere gezinnen van 'de trap' een weg moesten banen naar onze huisdeur. De ellende van het grootsteedse wassen rond 1900 wordt in Schoon genoeg overtuigend uit de doeken gedaan met een pagina Jordaanherinneringen van Theo Thijssen.

Vrouwentijd

Dat was- en droogmachine winst aan comfort hebben opgeleverd, is dus onbetwistbaar. Maar spaarden zij behalve vrouwenruggen en vrouwenhanden ook vrouwentijd? In principe wel maar in de praktijk valt het tegen. Immers, onze normen veranderden mee. Al verspilt hopelijk niemand haar kostbare uren en haar goede humeur nog aan het strijken van zakdoeken (in verschillende vouwmaten voor mannen- en vrouwen!), veel van onze nieuwe netheidsnormen slorpen tijd. Kleren worden niet meer een week lang gedragen (het hedendaagse kind schijnt zelfs dagelijks twee T-shirts in de wasmand te deponeren), en de recente opmars van fijn-kanten ondergoed is ook niet direct arbeidsbesparend te noemen. Het toppunt van jaren-zestig huisvrouwenvreugde: het nylon overhemd - makkelijk te wassen en direct droog - is om zijn onverdraaglijke zweterigheid afgeschaft. De luxe van zijden hemden ligt inmiddels binnen veler bereik. Maar natuurzij moet 'op de hand' gewassen en met veel zorg gedroogd en gestreken worden.

Ook het koken kent dergelijke verschuivingen. Zeker werkende vrouwen, bevreesd als zij zijn te worden aangezien voor carrièrevrouw, zullen hun gasten (want ook die behoren tot het moderne leven) niet gauw trakteren op de prima diepvriesmaaltjes die tegenwoordig bestaan, en tweemaal hetzelfde menu is ook al not done. Het is bizar hoeveel taboes wij onszelf en elkaar aandoen als we bedenken dat vrouwen het een halve eeuw geleden nog moesten doen met een kolenfornuis en petroleumstel in een keuken zonder warm stromend water. Het elektrisch koken overigens heeft de slag om de consument nooit gewonnen, ondanks het ijveren daarvoor door de intrigerende Nederlandse Vrouwen Electriciteits Vereniging (die volgens mij niet uit 1913 maar uit 1932 stamt), waarin beroemde kiesrechtstrijdsters als Rosa Manus samen met de energiebedrijven huishoudefficiency propageerden.

Het grootste technische succes van deze eeuw is ongetwijfeld de stofzuiger. Begonnen rond de eeuwwisseling als een enorme door paarden getrokken zuigmachine die men (inclusief mannelijke bediening) tijdelijk kon inhuren, is deze magische slokop sinds de jaren vijftig doorgedrongen in elk huishouden. Kloppen, schuieren, boenen en het afdekken van stofwolken met natte theebladeren zijn daarmee voorgoed naar de prehistorie verwezen. Vergeleken met de stofzuiger staat de naaimachine er als cultuurgoed verloren bij, al bezit de helft van de gezinnen er wel een.

Terwijl in de jaren zestig de lichtgewicht elektrische naaimachine met zig-zagsteek een massa-artikel werd en moeders en dochters bij Margriet en Libelle knippatronen aanschaften om de nieuwste ontwerpen en roklengtes voordelig thuis te kopiëren, wordt kleding nu nauwelijks nog zelf vervaardigd. Stoffen- en fourniturenwinkels zijn uit het straatbeeld verdwenen. Dat 'zelfmaakmode' passé is, is echter minder een kwestie van emancipatie dan van welvaart, goedkoopte en omloopsnelheid. Tegenover de moeite en de tijd die het kost om zelf je kleren te maken staat geen noemenswaardig financieel voordeel meer.

Schoon genoeg, dat uitkwam tegelijk met de opening van de tentoonstelling 'Beroep Huisvrouw, 1898-1998' (in het Amsterdams Historisch Museum), is dankzij het aansprekende onderwerp, de historische schetsen en vooral de talrijke mooie illustraties een lezenswaardige bundel geworden. Maar originele inzichten of verrassende wetenschappelijke verbanden ontbreken. Zo mist het artikel over de wisselende visies op collectivisering mijns inziens een belangrijk punt. Hoewel de auteur wel een cartoon afdrukt, uit 1947 nota bene, over ongezellig collectief eten uit een door de staat verschafte pot, geeft zij er in haar tekst geen blijk van te beseffen hoezeer het ideaalbeeld van een thuisvrouw gedurende de koude-oorlogsjaren een van de ideologische boegbeelden van het 'vrije westen' vormde.

Een vrouw in de westerse democratieën heette vrij te zijn van arbeid en voedde haar kinderen in vrijheid op, 'dus' zelf. Beelden van sekse ('wat is een 'echte' vrouw?') en de strijd tegen het totalitarisme hingen in die periode nauw samen. Ook de hier doorheen lopende invloed van oorlog en wederopbouw op de naoorlogse huiselijkheidsidealen komt in Schoon genoeg maar mondjesmaat aan de orde. En in de technologiegeschiedschrijving had ik graag wat meer denkwerk besteed gezien aan genderkwesties.

Vanuit theoretisch oogpunt verbaast het mij bovendien dat feminisme en socialisme zo vaak in een adem worden genoemd. Juist wat de strijd om het aanrecht betreft, stonden die twee tegenover elkaar. Als ze zich al voor het onderwerp interesseerden, zijn socialisten en communisten er altijd meesters in geweest collectieve of puur technische oplossingen te verzinnen ter verlichting van de huishoudtaken. Een voorman als August Bebel hoopte op vrouwenbevrijding via de stofzuiger, het Sovjet-model verwachtte alle heil van crèches, maar dat mannen ook zichzelf, hun huis, hun vrouw, hun hond en hun kinderen zouden kunnen verzorgen, was geen gangbaar links inzicht. Het kostwinnersmodel, waarin de vrouw thuis blijft en vader het geld inbrengt, financieel gesteund uit de algemene middelen, is ook door socialisten omarmd.

Gruwel

De fundamentele gruwel van de huishoudelijke arbeid is gelegen in het feit dat deze tegelijk zinloos is en noodzakelijk. Het leidt tot niets maar moet toch. Een met moeite en creativiteit bereidde maaltijd is binnen de kortste keren verorberd, vaak ook nog half ongeproefd omdat de klandizie met het bord op schoot voor de televisie zat. Het gevoel van intense voldoening dat een schoon en opgeruimd huis de huisvrouw/bewoonster oplevert, is per definitie van korte duur, want dan daalt het stof alweer neer of komen de bedervers er aan, die bovendien zelden beseffen welk een inspanningen er voor hun comfort zijn geleverd. Pas als de huisvrouw faalt en het huis vervuilt of men zijn spullen niet meer moeiteloos kan vinden, wordt het werk door haar gezinsleden opgemerkt.

In het begin van de 'tweede feministische golf', in 1970, publiceerde de Amerikaanse Pat Mainardi het baanbrekende stuk The Politics of Housework (dat in deze bundel net als Ann Oakley's klassieke sociologische studies van het huishouden - uit 1974 - onvermeld blijft). Mainardi toonde via diepgaand graafwerk in de diepste spelonken van het menselijk bestaan (zoals de ontluisterende ruzies rond het verwijderen van de haarprop uit het doucheputje), dat de wereld is ingedeeld in twee soorten: de verzorgden en de verzorgers. De soort die uit arrogantie dan wel onvolwassenheid meent dat alles voor hem gedaan en achter hem opgeruimd moet worden, en de soort die denkt dat zij voor dat doel geboren is.

Met de leuze 'Elke vrouw is een huisvrouw' onderstreepte het moderne feminisme dat geen enkele vrouw, hoe zwaar ook haar baan, vrijgesteld is van huishoudelijke taken op de manier waarop mannen, arm en rijk, dat generaties lang geweest zijn. Van die ongelijkheid zijn we nog niet verlost. Dankzij de elektronika beslaat het huishouden weliswaar geen zeventig uur per week meer, maar werkende vrouwen maken nog steeds langere werkweken dan hun echtgenoten. Dat vader tegenwoordig barbecuet verhelpt daaraan niets, want welke werkende vrouw wil dergelijke langdurige sessies uitzitten, die bovendien meer rommel dan vitamines opleveren? Geen technologie zal ons bevrijden tot er een antirotzooirobot komt, schreef Joke Kool-Smit in 1967. Die rotzooi heeft een sekse. In 1916 meende een zelfvoldaan heerschap dat vrouwen in hun huishouden een voorbeeld zouden moeten nemen aan de moderne man, die immers in zijn bedrijf steeds op zoek is naar tijdbesparende toestellen. Een dame gaf hem lik op stuk: 'Waarom eischt ge verzorgd te worden door een vrouw als een zuigeling, in plaats van zelve uw handje uit te steken en haar eens op Uw beurt te bedienen en minstens zelf Uwe kleeren, Uw bureau, Uw aschbak, Uw prullenmand schoon te houden?' Zij kan niet hebben vermoed dat er tachtig jaar na haar hartekreet nog een overheidscampagne nodig zou zijn met de boodschap 'Een echte vent strijkt zijn eigen overhemd'.