Déjà-vu

Met de ophanden zijnde verkoop van Rolls-Royce lijkt de laatste zelfstandige autofabrikant van Groot-Brittanië ter ziele te gaan. Aston Martin, Jaguar (beide van Ford), Lotus (opgegaan in een ingenieursbureau) en Rover (eigenaar BMW) zijn Rolls-Royce al voorgegaan.

Niet dat de jaarproduktie van 3.000 Rolls-Royces en Bentley's industrieel en financieel nog veel voorstelt, maar de emotionele waarde die het prestigieuze merk vertegenwoordigt leidt nog altijd tot hooglopende discussies onder vooraanstaande Britse ondernemers. Onder leiding van Kevin Morley, een voormalig directeur van Rover, maakt een haastig in het leven geroepen club van Rolls-Royce fans zich sterk voor een bod op de autofabriek. Morley kruist de degens met Volkswagen en BMW, die zich eveneens hebben gemeld om Rolls-Royce over te nemen.

Het wordt in de optiek van Morley cs. tijd dat er een barrière wordt opgeworpen tegen de vermaledijde buitenlandse invloed die er eerder in resulteerde dat de ooit zo vermaarde Britse vliegtuigindustrie door buitenlanders (Boeing) is overvleugeld.

Het gehuil over het verlies van een van de laatste stukjes 'industrieel erfgoed' van de Britse autoindustrie heeft echter een hoog déjà-vu gehalte. De actie van Morley roept herinneringen op aan de manier waarop de natie moord en brand schreeuwde toen Jaguar in 1989 werd verkocht aan Ford.

Ook zo'n item dat aan de borreltafel van de dure clubs in Mayfair en Westend hoog scoorde. Voornamelijk onder captains of industry, die zich vervolgens door hun privé-chauffeur in een Mercedes-Benz of BMW naar huis lieten rijden.