Debuut Mirjam Boelsums; Gevaar in de ogen kijken

Mirjam Boelsums: Slangen aaien. Meulenhoff, 157 blz. ƒ 29,90

We zijn in een jeugdinrichting. Of preciezer, we zijn in het hoofd van een meisje van zeventien dat daar geïnterneerd is. Ze heeft een rol gespeeld in de verdrinkingsdood van een van haar docenten op de middelbare school en voert daar moeizame gesprekken over met een dame van de reclassering. Was het opzet? Een ongeluk? 'Eigenlijk heb ik maar één vraag', hoort ze over tafel. 'Waarom?'

Waarop ze zwijgt en zwijgt en rondkijkt en haar schouders ophaalt. Tja, waarom. 'Gewoon.'

Als het aan die vertelster ligt, hoeft Slangen aaien niet verteld te worden. Ze heeft 'niet het idee dat ik er iets mee te maken heb', met die verdrinking. Ze heeft sowieso niet het idee dat ze met iets te maken heeft, of dat er in het algemeen iets is dat ergens mee te maken heeft. Wat haar betreft is er geen oorzaak en gevolg. Er zijn geen redenen. Er zijn omstandigheden en die lopen samen of juist niet, dat weet je van tevoren nooit. De dingen zijn niet voorbestemd, ze staan niet in de sterren, ze zijn toeval en er valt dus weinig te vertellen. Waarom? Daarom.

Die onverschilligheid geeft de roman iets intrigerend tergends als het meisje even later toch begint te praten - mondjesmaat, in ruil voor sigaretten, op de effen toon van iemand die zojuist een spook gezien heeft maar toch echt niet snapt wat mensen daar een drukte over maken. Ze verbaast zich nergens over. Ze verplaatst zich niet in anderen en ook niet in zichzelf. Ze vertelt gewoon. Een anekdote hier, een associatie daar, kriskras haar leven door en almaar verder bij die dode leraar vandaan. Want die verdrinking, ach, het ging niet om die man. Ze had niets voor of tegen hem. Ze had hem ook niet zullen zien, die avond. Het gebeurde. Toeval, echt waar. Maar hoe meer ze dat benadrukt, hoe meer je in haar woorden kruipt om er de sporen van iets anders in te vinden. Moord door toeval, dat kan toch nooit de hele waarheid zijn?

Slangen aaien appeleert van zin tot zin aan die onuitroeibare menselijke neiging orde in de dingen aan te brengen - en doet dat met een zelfverzekerdheid die je niet zou verwachten bij een debutante. Mirjam Boelsums (1955) is van huis uit sociologe, zegt de achterflap, en het is net of ze in dit debuut een spel speelt met dat vak. Ze voert een meisje op dat zich onttrekt aan alles wat sociaal is en wat sociologisch te begrijpen is, maar zo dat je iets anders aan het kind kunt gaan begrijpen. Iets wat alleen literatuur kan laten zien.

Om te beginnen hoor je veel verhalen over het gezin waaruit ze komt. Haar vader, die ze aanduidt als De Specialist, ten teken dat hij samenvalt met zijn beroep, doet wereldwijd geprezen medisch onderzoek en leeft voor zijn succes. Haar moeder, aan de andere kant van het medische spectrum, heeft voortdurend last van kwaaltjes waar de wetenschap geen raad mee weet. 'Ze zijn allebei geobsedeerd door ziekte', zegt het meisje. 'Het enige verschil tussen hen is dat mijn vader er schatrijk van is geworden terwijl mijn moeder alleen maar geld kost. Verder doen ze niet voor elkaar onder, mijn moeder is als patiënt minstens zo succesvol als mijn vader als specialist.'

Wat dit huwelijk bijeenhoudt ('Dezelfde interesses en veel afwisseling, wat wil je nog meer?') is een gedeeld geloof in de beheersbaarheid en maakbaarheid van het bestaan. Gezondheid, dat is iets wat je kunt regelen, en zo is het met alles. Welvaart, roem, een leven van hotels, solaria en cocktails in de marge van de grote internationale medische congressen - alles aan hun doen en laten is gestroomlijnd. Zelfs hun naam is gerestyled, van Grauw naar Grayson, want dat bekt wat lekkerder in kosmopolitische kringen. Ze zweven door het leven.

Hoe het meisje dat heeft ondergaan, begrijp je in één zin wanneer ze terugdenkt aan het hoogpolig tapijt van een hotel waar ze ooit met haar ouders was, natuurlijk weer voor een congresje. 'Als je door mijn kamer liep hoorde je helemaal niets, een beetje eng, net of je niet bestond.' Haar leven is er een dat nergens weerstand ondervindt en daardoor overal in voorziet - behalve in het leven zelf, in het gevoel daarvan. Dat onderga je niet wanneer je de regie in handen houdt maar juist wanneer die je ontglipt, en dat is het begin van een verklaring voor haar latere lotgevallen. Waar haar ouders naar regels leven, daar is zij op zoek gegaan naar overschrijdingen.

Die uitbraak uit het dagelijkse leven, die beweging van verdovende beschaving naar bevrijdende excessen, is zo ongeveer het oerthema van onze jongste literatuur, en zijdelings komt er in Slangen aaien dan ook veel bekends voorbij. In de verhalen die het meisje ophaalt wordt gezopen en gesnoven en gezworven en vreugdeloos gesekst, naar de beste tradities van de generatie Nix. Maar Boelsums drukt daarop haar eigen stempel door de lading van haar taal en vooral door de spanning in haar beelden. Haar heldin staat in het laboratorium van haar vader voor een vrieskast vol dode muizen in keurige stapels roze bakken. Ze ziet buiten hoe een koe zich heeft verstrengeld in het prikkeldraad. Ze denkt aan een postduif die tegen een ruit vliegt, keer op keer, omdat hij denkt dat hij daar thuis is. Steeds weer zijn het beelden van natuur, bekneld door de cultuur, en op den duur ga je begrijpen waarom ze gefascineerd wordt door een vriendin die wilde slangen aait en in de ogen kijkt.

Gevaar in de ogen kijken, dat is wat ze wil.

Hoe dat uiteindelijk leidt tot de verdrinking van die leraar moet u zelf maar lezen, want dat is te mooi om hier al weg te geven. Boelsums is een debutant zoals je die maar zelden ziet, misschien maar één of twee keer in het jaar, een schrijver die zijn stof zo soepel beheerst dat alle lijnen van de plot vervloeien in een slot dat vreemd en ingewikkeld is en toch volkomen vanzelfsprekend. Dat 'waarom' waar die vrouw van de reclassering om vroeg, wordt inderdaad hoogst ontoepasselijk, ja zelfs absurd, precies zoals het meisje zegt. Want hoe kun je ooit praten over oorzaken en gevolgen en motieven, die stramienen van de beschaving, als het er nu juist om ging die te ontvluchten?

Het is echt een raar mens, die vrouw van de reclassering. (...) Ze sloeg met haar hand op tafel. 'Je vertelt me iets of je vertelt me niets.'

Toen barstte ze los. Ze kon niet eeuwig wachten tot ik mijn mond eens opendeed, zei ze, en het was allemaal voor mijn eigen bestwil, alles hing af van mijn eigen medewerking. Mijn hele toekomst stond op het spel, want er was toch een enorm verschil tussen ongeluk en opzet, dat moest ik toch begrijpen. Ze bleef maar tegen me aan zeuren over wat er nu precies was gebeurd en waarom.

Dingen gebeuren niet zomaar, vinden ze hier, die hebben een oorzaak. En als ze die oorzaak niet kunnen ontdekken, schrikken ze zich dood, want dan klopt hun systeem niet meer.

Uit: Mirjam Boelsums: Slangen aaien