De verkettering van het pessimisme; Pantoffelhelden die de rede willen redden

Raymond Tallis: Enemies of Hope. A Critique of Contemporary Pessimism. Macmillan, ƒ 177,65

Grote gedachten komen soms op pantoffels aangeschuifeld. Het was op een gure winterochtend tijdens het Twaalfjarig Bestand dat René Descartes, soldaat in het leger van Beieren, zijn stoel bij de kachel schoof om wat te filosoferen. Zijn gedachten gingen naar zijn studententijd. Van alles had hij gestudeerd bij de Jezuïeten: theologie, filosofie, letteren, geschiedenis, kunsten - een compleet interdisciplinair programma Geesteswetenschappen had hij gevolgd. Maar de hooggeleerden waren het onderling steevast oneens geweest, over alles hadden ze getwijfeld. Het was een tijd van verwarring, peinsde Descartes. Wat ze aan de universiteit doceerden was een bizarre verzameling vaagheden en culturele modes; echte wetenschap kon je het niet noemen. Want wetenschap is waar, en als iets waar is dan staat het voor altijd vast en is er geen reden voor oeverloos getwijfel of gerelativeer.

Stel dat er inderdaad zoiets bestond als onbetwijfelbare waarheid, filosofeerde hij verder, hoe vond je die dan? Op dit punt aangeland kreeg Descartes de brainwave waarmee hij in de eredivisie van de westerse filosofie terecht kwam. Niets is zeker, aan alles kan getwijfeld worden, bedacht hij - op één ding na: dat ik zit te denken - en dat ik er ben, zolang als ik denk. Cogito ergo sum!

Het was een historisch moment, schreef Hegel later. Eindelijk ontdekte het denken zichzelf. Met het cogito kwam een nieuw waarheidscriterium in omloop: waarheid is helderheid, ware kennis begint met ideeën die glashelder dus absoluut onbetwijfelbaar zijn. Voor het eerst, zo zeggen de schoolboekjes, scheen het licht van het verstand in een duistere wereld vol bijgeloof en cultureel vooroordeel. Met Descartes begon het moderne denken.

Toch was zijn reputatie steeds omstreden. Tijdgenoten vonden zijn filosofie niet helder maar verward. Zijn deductieve methode wekte de lachlust op van de achttiende eeuwse Verlichtingsempiristen. En in het laatste kwart van onze eeuw lijkt het wel alsof hij de wereld vooral misverstanden heeft nagelaten. Eco-filosofen wijzen hem aan als de aanstichter van milieuvernietiging, vanwege zijn dualisme van mens en natuur. De wetenschapsfilosoof Stephen Toulmin rekent met hem af in Cosmopolis (1990), waar hij betreurt dat niet de tolerante scepticus Montaigne, maar de fundamentalist Descartes met zijn angst voor ambivalenties en onzekerheden, de Europese cultuur zolang kon domineren. In een boekje met de titel De vergissing van Descartes (1994) veegt neurofysioloog Antonio Damasio de vloer aan met de stelling dat lichaam en geest totaal verschillend zijn en dat het denken onafhankelijk zou functioneren van emotionele en biologische processen. Zelfs Descartes' pleidooi voor 'echte' wetenschap lijkt krachteloos; de verfoeide geesteswetenschappen zitten onmiskenbaar in de lift. En binnen de geesteswetenschappen bloeien het postmodernisme en het cultureel relativisme; aan alles wordt weer getwijfeld, alles heet een culturele constructie.

Reanimatie

Volgens Raymond Tallis, auteur van Enemies of Hope. A Critique of Contemporary Pessimism, is deze situatie zorgelijk maar niet hopeloos. Het cogito van Descartes is ondermijnd maar kan gereanimeerd worden. Tallis is van beroep medicus en heeft volgens de achterflap meer dan 130 medische publicaties op zijn naam staan, waaronder het standaardwerk Geriatric Medicine and Gerontology.

Zijn specialisme verloochent zich niet. In het voorwoord verklaart hij de 'terminale staat van wanhoop, zelfhaat en impotentie' te willen afwenden, die ons bedreigt als we doorgaan te luisteren naar postmodern gebabbel, hysterische ecologisten en andere intellectuele saboteurs. Want het gekke is, volgens Tallis, dat de welvaart dankzij wetenschap en techniek gestaag groeit, de levensverwachting stijgt en alles steeds beter gaat, terwijl de Republiek der Letteren intussen meer en meer in de ban raakt van doemdenkers, sceptici en cultuurpessimisten. Vanaf het begin van de moderne tijd hebben intellectuelen de vooruitgang gesaboteerd, de erfenis van Descartes en de Verlichting verraden. Op zoek naar warmte en geborgenheid werden ze meegezogen door de Romantiek, en sindsdien is het met hun kritisch individualisme, hun vertrouwen in de ratio en hun geloof in objectieve normen en waarden snel bergafwaarts gegaan.

De sentimentele hang naar gemeenschap, gekoppeld aan een toenemende onwil om zelfstandig en logisch na te denken, signaleert Tallis voor het eerst bij de Duitse Romantici; daar werd het universele verstand ingeruild voor de gevoelige, cultureel gevarieerde 'volksgeest'. Later zouden Marx en Durkheim, Darwin en Freud het rationele bewustzijn nog radicaler marginaliseren en het menselijk handelen herleiden tot anonieme structuren van economische, sociale, biologische of seksuele aard, opererend buiten onze wil om. In onze eigen tijd zijn er het structuralisme van Saussure en het poststructuralisme van Derrida en andere postmoderne Fransen, die beweren dat alles taal en tekst is - het vrije denkende subject komt er niet eens meer aan te pas. Voor je het weet, vreest Tallis, wordt al dit irrationalisme nog een selffulfilling prophecy, en zijn we straks weer terug in de Middeleeuwen.

Maar een medicus geeft de moed nooit op. Tallis vertrouwt er op dat zijn boek kan helpen om de autonome ratio, in principe for ever young, te revitaliseren en in zijn oude glorie te herstellen.

Van iemand die een apologie voor het cogito schrijft zou je verwachten dat hij de cartesiaanse methode hanteerde. Maar Tallis zondigt om te beginnen al tegen het principe 'zelf denken' - hij denkt niet zelf, hij leunt op autoriteiten en geeft dat ruiterlijk toe. Het boek is een losjes samengestelde collectie citaten en samenvattingen van anderen, grotere geesten dan hijzelf, die zijn polemiek met foute intellectuelen van munitie moeten voorzien. Zo komt Isaiah Berlin uitvoerig aan het woord over anti-Verlichters als Herder en Joseph de Maistre; Albert Camus wordt aangeroepen als getuige tegen het linkse totalitarisme; en de Britse filosoof en antropoloog Ernest Gellner wordt ingezet om zijn bezwaren tegen het 'subjectivisme' van de postmodernen kracht bij te zetten. Dankzij deze en andere co-auteurs leest het boek lekker weg, maar Tallis slaagt er niet in uit alle slokjes, hapjes en liflafjes een echte filosofische maaltijd te bereiden. Waar hij zelf aan het woord komt, rammelt zijn redenering aan alle kanten.

Redeneerfout

Tallis' eerste argument is dat zijn beoogde opponenten een redeneerfout maken. Want, zegt hij, ze gedragen zich in het dagelijks verkeer alsof ze met verstandige, verantwoordelijke medeburgers te maken hebben, terwijl hun theorie beweert dat de mens een culturele constructie is, of een tekst, of een sprekend dier. Ze ontkennen de autonomie van het denkende bewustzijn, terwijl die ontkenning op zichzelf al de realiteit van dat bewustzijn alleen maar bevestigt. Ze weigeren kortom logisch na te denken, ze spreken zichzelf tegen, ze zijn hopeloos inconsequent.

Maar of het zo simpel ligt, kun je je afvragen. Misschien is het best mogelijk om de realiteit van het bewustzijn te onderschrijven, zonder er tevens vanuit te gaan dat het autonoom is. Wanneer Tallis gelijk zou hebben zou het zoeken naar een verband tussen individueel denken en handelen enerzijds en culturele, biologische of historische factoren anderzijds, bijvoorbaat op een misverstand berusten. Toch is het voor de meeste mensen vanzelfsprekend dat hun gedrag niet alleen door bewuste, persoonlijke redenen wordt gestuurd, maar dat er ook externe invloeden meespelen, zoals opvoeding, milieu, hormonen, gender, godsdienst etc. Redenen en oorzaken, interne en externe motivatie sluiten elkaar niet uit.

De cognitieve psychologie gaat nog een stapje verder en verenigt rationaliteit en causaliteit in de formule dat wij door de evolutie programmeerd zijn om vrij te zijn: zo zitten onze hersenen nu eenmaal in elkaar. Voor de dualist Tallis is die stelling echter letterlijk ondenkbaar. Geest en lichaam, vrijheid en determinisme, rationaliteit en causaliteit, bewustzijn en onbewuste, behoren volgens hem tot verschillende werkelijkheidsgebieden. Alle theorieën waarin die twee werelden met elkaar in verband worden gebracht, vindt hij reductionistisch. Het zou dus nog wel eens akelig stil kunnen worden op de universiteiten, als Tallis het daar voor het zeggen kreeg. Alleen de exacte wetenschappen kunnen er mee door. Zo ongeveer alle sociale en culturele wetenschappen, plus belangrijke delen van de psychologie en biologie, berusten volgens hem op een denkfout. Wetenschap kan bij Tallis alleen door de beugel wanneer ze zich op een gedateerde metafysica baseert en flatteuze waarheden formuleert. Zodra het gaat om het doorprikken van behaaglijke illusies, zodra er wordt gewezen op niet-bewuste motivaties, op maatschappelijke bepaaldheid of verwantschap met de dieren, haakt Tallis af.

Geloof

Ook zijn tweede argument is nogal strijdig met een motto van Descartes, namelijk dat je alleen dingen mag beweren die rationeel fundeerbaar zijn. In plaats van rationeel te argumenteren belijdt Tallis een geloof. Kijk om je heen, zegt hij. Dankzij de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling in het Westen wordt de gemiddelde leeftijd steeds hoger, we blijven langer gezond, armoede en honger zijn uitgebannen. Niemand hoeft meer op zijn blote voeten te lopen. Het gaat steeds beter, en filosofen die dat ontkennen kunnen niet goed kijken.

Ondanks de bezwerende retoriek is dit geen sluitend syllogisme maar een geval van wishful thinking. De gemiddelde cultuurpessimist ziet iets heel anders, als hij in de twintigste eeuw om zich heen kijkt: oorlogen, genocides, concentratiekampen - en vrede is het alleen in de pauze, om met W.L. Brugsma te spreken. Je hoeft niet eens een cultureel relativist te zijn, om vraagtekens te hebben bij Tallis' medisch optimisme. Wanneer de laatste eeuw al iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat wetenschappelijke ontwikkeling niet automatisch verbetering betekent, dat we steeds als we iets winnen ook weer iets verliezen. De natuurwetenschappen kunnen het leven verlengen, maar ze kunnen geen politieke of morele problemen oplossen, ze helpen niet bij oorlog en ongelukkigheid.

En daarmee blijft onduidelijk wat precies de rationele basis voor Tallis' optimisme zou kunnen zijn. De mensen worden misschien slimmer, maar in moreel opzicht gaan ze er niet erg op vooruit, zoals Schopenhauer lang geleden al opmerkte. Door ze logica of filosofie te laten studeren maak je ze niet socialer, of zelfs maar minder destructief. Wanneer uiteenlopende auteurs de toekomst tegenwoordig in een minder rooskleurig licht zien dan de vroege Verlichters, heeft dat met irrationalisme dan ook niets te maken, zoals Tallis beweert; eerder met kritisch realisme.

Waarom heeft dit pompeuze boek vol amateurfilosofie dan toch onlangs een jubelende recensie gekregen in een toonaangevend tijdschrift als Times Literary Supplement? Waarschijnlijk omdat de flaptekst suggereert dat hier eindelijk schoon schip gemaakt wordt met de postmodernisten. Afrekeningen met het postmodernisme gaan momenteel als warme broodjes over de toonbank, en ook voor de recensent van TLS, zelf afkomstig uit het English Department van de universiteit van Glasgow, heeft kennelijk het uur der wrake geslagen. Dit boek, verklaart hij dweperig, is geschreven door een echte scientist, afkomstig uit de harde wetenschappen waar ze nog strenge criteria van helderheid, deductie en bewijsvoering hanteren. Daar heerst nog een geest van democratisch individualisme. Al heeft iemand er de Nobelprijs gewonnen, het zal hem niet beschermen tegen de welgefundeerde kritiek van zijn jongste aio! Dat ligt wel even anders, zo vervolgt hij, in de humanities en de literatuur, waar ze academische criteria aan hun laars lappen en met zijn allen Foucault en Derrida zitten na te praten. Daar is de waarheid allang geen argument meer, daar regeert nog slechts het Führerprinzip.

Machtsovername

De beschuldiging sluit keurig aan bij Tallis' suggestie dat de alfawetenschappen sinds de postmoderne machtsovername in politiek suspect, collectivistisch vaarwater terecht gekomen zijn. Dat Tallis op geen van zijn vijfhonderd pagina's tellende boek de moeite heeft genomen om ook maar één postmoderne goeroe van dichterbij te bekijken teneinde zijn beschuldiging waar te maken, wordt hem niet kwalijk genomen. Ook niet dat hij geen enkele aanwijzing geeft waar we de door hem veronderstelde vaste fundamenten voor universele normen en waarden zouden kunnen vinden - meer dan de erkenning dat zelfs Isaiah Berlin het op dit punt laat afweten krijgen we niet te horen. Wat het gevaarlijke, ondemocratische postmodernisme precies inhoudt, waar het zich verschanst heeft, waarom de aanhangers van cultuurpessimisme worden beticht terwijl men ze gewoonlijk toch juist luchthartige oppervlakkigheid verwijt - het blijft allemaal in het duister.

Argumentatie is kennelijk niet nodig. Het is voldoende de tegenstander in diskrediet te brengen door een postmoderne stroman op te trekken en die te confronteren met zijn vermeende antipode: de toegewijde natuurwetenschapper, integer en onbaatzuchtig, in zijn eentje oproeiend tegen de stroom - net als Descartes.

Natuurlijk is die eenzame, onbaatzuchtige natuurwetenschapper een mythe. Juist binnen de bètawetenschappen wordt kennis steeds geproduceerd door een groep, niet door een individu. De rationaliteit van afzonderlijke onderzoekers biedt geen afdoende verklaring voor de groei van wetenschappelijke kennis; conformisme en nepotisme binnen officieel erkende onderzoeksscholen, peer reviews door gevestigde autoriteiten, warme contacten met sponsors zijn minstens zo bepalend. De bèta-praktijk heeft met heroisch individualisme even veel of weinig te maken als die van de alfa's en gamma's, de academische norm wordt even veel of weinig gerespecteerd, de heldere, ondubbelzinnige wereld van Descartes is er even ver weg.

Maar Tallis is niet geïnteresseerd in de praktijk van het natuurwetenschappelijk bedrijf en nog veel minder in de resultaten van sociaal, cultureel of filosofisch onderzoek. Hij blijft liever geloven in mythes. Op zoek naar zekerheid in een steeds verwarrender wereld heeft hij de deur van zijn studeerkamer dichtgetrokken en is op pantoffels naast de kachel gaan zitten, om ongestoord wat voor zich uit te filosoferen.

    • Heleen Pott