De opstand van Kniertje tegen Heijermans; Jeroen van den Berg over zijn toneelstuk De Nieuwe Tijd

Hij bewerkte zonder scrupules klassieke theaterstukken van Ibsen en Tsjechov. Maar sinds zijn eigen musical 'Nilsson' door Van den Ende onder handen is genomen, denkt regisseur en toneelschrijver Jeroen van den Berg anders over toneelbewerkingen. Dat blijkt in zijn nieuwe stuk De Nieuwe Tijd, over historische personages uit het begin van deze eeuw: 'Feit en werkelijkheid op toneel intrigeren me.'

De Mensenhater van Molière door Het Oranjehotel. Regie: Jeroen van den Berg. Première 3/4 Grand Theatre, Groningen. * De Nieuwe Tijd van Jeroen van den Berg door Het Oranjehotel. Regie: Ivar van Urk. Première 14/4 Theater Bellevue, Amsterdam. Inl.: 050-5772775. Nooit eerder in de geschiedenis kwamen ze met zijn vieren bijeen: toneelschrijver Herman Heijermans, architect H.P. Berlage, het toneelpersonage Kniertje en de socialiste Henriëtte Roland Holst. Temidden van deze bevlogen idealisten is Kniertje natuurlijk een vreemde verschijning. Zij is dus niet Esther de Boer-van Rijk. Maar Kniertje. En ze is doodziek van de drieduizend keren dat ze Kniertje moet spelen. Had die Heijermans niet iets anders voor haar kunnen bedenken, een grootse tragische rol?

De jonge toneelschrijver en regisseur Jeroen van den Berg (Hoogezand-Sappemeer, 1966) brengt dit viertal samen in een toneelstuk dat hij De Nieuwe Tijd noemt. Het gaat binnenkort bij zijn eigen gezelschap Het Oranjehotel in première, geregisseerd door Ivar van Urk. Vlak ervoor is, eveneens bij Het Oranjehotel, Van den Berg's enscenering van De Mensenhater van Molière te zien.

Jeroen van den Berg hoort tot een groep theatermakers die 'children of concrete and steel' genoemd is. Ze groeiden op in de tijd van punk, No Future, ofwel 'noodlottige nietsigheid', zoals hij het zelf noemt. Ze zijn allen rond de dertig, schrijven en regisseren stukken met een bewonderenswaardige energie en vaart. Van den Berg heeft al zo'n vijftien toneelstukken op zijn naam staan. Hij bewerkte het klassieke repertoire zoals Nora van Ibsen en De Meeuw van Tsjechov ingrijpend.

“Dat is als regisseur mijn goed recht,” zegt hij met een trots die overmoed, jeugd en liefde voor het toneel verraadt. “Ik bewerkte De Meeuw omdat ik duidelijk wilde maken wat Tsjechov bedoelde. Ik stuitte ook op een vertaling die me tegenstond, te wollig, te ver van hier en nu. Bovendien wilde ik sneller tot de kern komen. Waarom zou je een heel bedrijf wachten op drama en al die inleidende bewegingen moeten volgen? Toeschouwers van toen vonden het kennelijk heerlijk om zich langzaam maar zeker te laten opwarmen in de zaal. Dat is nu anders.”

Die alles omwoelende bewerking van De Meeuw vond alweer drie jaar geleden plaats. Intussen schreef hij de musical Nilsson voor Joop van den Ende. En wat gebeurt? Voor de musical-makers van Van den Ende is een tekst nog minder heilig dan voor Van den Berg als jonge regisseur. Er werd geschrapt in zijn teksten, geschoven, veranderd. Dat is voor een schrijver altijd een droeve ervaring.

In diezelfde tijd ontdekte hij een Falklandje van Herman Heijermans, waarin de toneelschrijver zich beklaagt over hoe acteurs in Londen zijn stuk Ghetto volkomen om zeep hielpen. Zang en dans werden er ongevraagd aan toegevoegd, het slot moest vrolijker en mocht niet in mineur eindigen. In zijn stuk De Nieuwe Tijd neemt Van den Berg dit woedende cursiefje van Heijermans in bewerkte vorm over. Tegen Berlage en Henriëtte Roland Holst foetert hij: “Ik blijf me erover verbazen dat werkelijk iedereen denkt meer verstand van toneelschrijven te hebben dan de toneelschrijver. Als je een typediploma hebt ben je nog geen schrijver. Daarom gaat iedereen maar met zo'n stuk aan de haal. Het begint al bij de eerste lezing. Je hoort meteen, de helft van de acteurs snapt er niets van, de andere helft vindt z'n rol te klein, dus die kun je ook afschrijven. Dan krijg je de regisseur die wat kleine veranderingetjes voorstelt, niet omdat het stuk slecht is maar omdat het net wat scherper kan. En misschien moeten we ook nog eens even naar het slot kijken, meneer Heijermans, daar zit ook nog een inconsequentie. Het is prijsschieten, de een weet het nog beter dan de andere, zelfs de mening van de kostuumontwerper en de vriendin van de souffleur telt zwaarder dan die van de schrijver. Op een gegeven moment is het stuk veranderd in een verzameling 'kleine veranderingetjes'.

Hoe rijmt Jeroen van den Berg dit pleidooi voor tekstgetrouwheid met zijn eigen zucht Tsjechov beter te begrijpen dan Tsjechov dat zelf deed?

“Mijn ervaringen met Van den Ende hebben hierbij een rol gespeeld,” antwoordt hij, “maar ook mijn visie op het regisseren van klassiek repertoire is sindsdien gewijzigd. Aanvankelijk wilde ik niks liever dan de vierde wand doorbreken en de acteurs frontaal naar de zaal laten staan, spelend alsof ze nièt speelden. Achteraf vind ik dat nep en bedrog. Toen zei ik aldoor dat het 'minder, minder' kon, nu kan ik dat niet meer zo gauw over mijn lippen krijgen. Het theater is een medium met krachten en tekortkomingen. Mijn verzet tegen de kunstmatigheid heeft plaats gemaakt voor juist een grote liefde voor die kunstmatigheid, voor het theatrale aspect. Gegeven de afspraak dat het theater een gekunstelde wereld is, kun je onnoemelijk ver gaan in het theatrale, het grootse, het dramatische.

Historische personages

“Ik voel me niet verwant aan een gezelschap als Maatschappij Discordia dat erg sektarisch is. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar Alex van Warmerdam. Hij maakt ontroerend toneel voor een groot publiek. Eigenlijk zijn er voor mij in het Nederlandse toneel geen voorbeelden. Met Ivar van Urk, mijn compagnon bij Het Oranjehotel, zoek ik naar een nieuwe zeggingskracht. Die schuilt niet in de psychologie van een personage. Het interesseert me niet dat een man een vrouw niet kan krijgen en dat hij dus zielig is, ik wil mijn aandacht verschuiven naar historische personages, voorbeelden uit de geschiedenis. Ik schreef een stuk over Schopenhauer, en nu over Heijermans, Roland Holst en Berlage. Hun levens, zoals ik die aan hun biografie ontleen, geven me prachtige beelden en metaforen.

“Wat mij verbaast is hun enorme idealisme. Hoe kan het dat die mensen zo vol idealen zitten aan het begin van deze eeuw, terwijl ik ben opgegroeid met dat besef van nutteloosheid? Ik zoek daarop een antwoord. De dood van Heijermans bijvoorbeeld, met dat kankergezwel onder zijn tong, grijpt me aan. Hij wilde helemaal niet dood maar verder leven. Hij werd als een held begraven - en dat verlangde hij al helemaal niet.

“Of zo'n komiek als Tommy Cooper die doodgaat tijdens een voorstelling op het podium. Het publiek vond dat de grootste grap van de avond. Dat ontroert me. Heijermans was een ploeteraar, altijd met schulden en begrotingen in de weer. Ik heb bewondering voor zijn moed en energie. Het wereldbeeld dat hij erop nahield, vol mooie idealen en doorzettingsvermogen, is zo tegengesteld aan de sfeer die mijn jeugdjaren overheerste. Daarom wil ik over hem schrijven. Om iets van verbondenheid met hem te voelen. Ik heb de groene stationcar van mijn vader al een keer in beeld gebracht, en dat is genoeg. Dat kun je niet blijven herhalen.”

Jeroen van den Berg studeerde in 1993 af aan de regieopleiding van de Hogeschool voor de Kunsten in Amsterdam. Hij groeide op in het desolate land van Oost-Groningen, in Winschoten. Daar zag hij geen toneel. Dat begon op het St. Maartens-college in Groningen. Maar ook mondjesmaat, En attendant Godot van Beckett een keer in het Frans of sexuele voorlichting in rollenspellen begeleid door muziek van Genesis. Toch begon hij met decors te timmeren en te sjouwen, daarna speelde hij en de volgende stap was een eigen regie. Van schoolmusicals kende hij alle teksten van buiten in de hoop dat er iemand ziek zou worden. Dat gebeurde nooit.

In zijn stuk De Nieuwe Tijd heeft hij een mooie rol toebedeeld aan Kniertje. Denkt iedereen dat steractrice Esther de Boer-van Rijk wel heel blij zal zijn met zo'n onsterfelijke rol, zijzelf denkt daar heel anders over. Althans, in de visie van Van den Berg. Ze gaat tekeer tegen Heijermans, die vindt dat Kniertje een 'dankbare rol' is.

Kniertje repliceert: “Hou toch op. Eerst breng je zo'n dankbare rol met liefde tot leven. Zonder mij had Kniertje nooit bestaan, Heijermans. En als die rol er dan is dan slokt 'ie je helemaal op. Je gaat er zo in op dat op een gegeven moment de rol het enige is dat over is. Van Esther de Boer-Van Rijk geen spoor. 'U bent toch Kniertje.' Zo spreken ze je op straat aan. De roem wordt duur betaald. Luister Heijermans. Toen ik ontdekt werd was ik een jong energiek vrolijk meisje. Ik ben geen schuifelend oud vrouwtje. Dat heb jij van me gemaakt. Jij wilde dat het toneel net zo echt was als het dagelijkse leven.”

Feit en werkelijkheid

Jeroen van den Berg vertelt dat 'feit en werkelijkheid' op het toneel hem altijd geïntrigeerd hebben. Nu hij De Mensenhater repeteert, stuit hij op hetzelfde probleem. Van den Berg: “Het stuk speelt zich af in de salon van de jonge, felbegeerde Celimène. Deze vrouw weet zich omringd door bewonderaars. Zij bouwt een gruwelijke wereld op van intriges, van list en bedrog. Iedereen gaat met haar mee, maar hoe werkelijk is die wereld? Welke liefdes spiegelt ze anderen voor die ze nooit zullen krijgen? Ik wil niet dat de toeschouwer op voorhand al weet dat zij een bedriegster is. Dat moet pas helemaal aan het slot komen, als een grote schok. Aan het eind is iedereen alles kwijt, iedereen heeft misgegrepen, alles waarnaar ze verlangden en al hun verwachtingen zijn als zand tussen hun vingers geglipt. Dan telt geen levensvisie meer. Alleen teleurstelling.

“Ieder personage voor zich moet zien hoe hij of zij uit deze infame wereld - dus uit Celimeènes salon - komt zonder een verliezer te zijn. Dat is voor mij een dramatisch gegeven. Misschien is dat wel waar het voor mij om draait, en ook voor Ivar van Urk en de anderen van mijn generatie: wij bieden geen oplossingen aan, geen uitwegen. Dat de wereld ondoorgrondelijk is, is een gegeven waarmee we het te stellen hebben.”