De oogst van onze eeuw; Karl Barth: Der Römerbrief, 1922

Karl Barth: Der Römerbrief. Evangelischer Verlag (1922), ƒ 41,40

In de zomer van 1942 volbracht Hebe Kohlbrugge, een Nederlandse verzetsvrouw en dochter van een gereformeerd predikant, de moeizame en gevaarlijke reis dwars door bezet gebied naar Zwitserland, om uitsluitsel te krijgen in een theologische kwestie. In Bazel bezocht ze de beroemde theoloog Karl Barth, en legde hem het dringende probleem voor of het verzetslieden was toegestaan om te liegen tijdens verhoor door de Duitsers.

Barth, vertelde Kohlbrugge bij terugkeer in Nederland, vond het 'onbescheiden' om als inwoner van een neutraal land op die existentiële vraag te antwoorden. Maar na lang aandringen was het bondige antwoord: 'ja'. Barths uitleg werd in Nederland onmiddellijk gedrukt en clandestien verspreid, onder de titel Aan de Nederlandsche Christenen; Brief van Prof. Karl Barth.

Het verhaal, te vinden in de biografie van verzetsman H.M. van Randwijk door Gerard Mulder en Paul Koedijk, illustreert de monumentale status die de Zwitserse protestantse theoloog al tijdens zijn leven genoot en die sindsdien door geen vakgenoot is geëvenaard. Karl Barth (1886-1968) geldt als een 'moderne kerkvader', in de traditie van Augustinus. Zijn Kirchliche Dogmatik, waarvan dertien delen verschenen van 1932 tot 1967, is het meest ambitieuze theologische project van de eeuw. In dit levenswerk probeerde Barth het christendom te wapenen met een nieuwe dogmatiek, die de aanslagen van het wetenschappelijke wereldbeeld kon pareren, zonder te vervallen in een subjectief en irrationeel type religiositeit.

Zijn onderneming markeerde de overgang van de liberale negentiende-eeuwse theologie - die in de pas was blijven lopen met Verlichting en rationalisme en het geloof benaderde vanuit de menselijke beleving - naar een neo-orthodox christendom, dat de nadruk legt op Gods transcendentie en zijn openbaring via Jezus Christus. Barth zag theologie als een rationele onderneming, zelfs als 'de wetenschap van Gods woord', maar met een eigen methodiek en rationaliteit. Pogingen om de geloofswaarheden te rechtvaardigen uit de menselijke ervaring, zoals de vader van de negentiende-eeuwse theologie Friedrich Schleiermacher had gedaan, wees hij resoluut van de hand. Bij Barth kwam alle heil van boven, en nergens anders vandaan.

Lang vóór zijn Kirchliche Dogmatik had hij die overtuiging al neergelegd in een boek dat in de theologische wereld een daverende explosie veroorzaakte, waarvan de schokgolven de hele twintigste eeuw voelbaar zijn gebleven. In Der Römerbrief, een commentaar op Paulus' Brief aan de Romeinen dat werd gepubliceerd in 1919 en in herziene vorm opnieuw uitgebracht in 1922, richtte Barth een vlammende aanklacht tegen het Duitse theologische establishment. Bron van de theologie was niet een universeel religieus 'gevoel', zoals Schleiermacher had gemeend, of een ander aspect van de condition humaine, maar louter de vrijwillige zelfopenbaring van God in Jezus Christus, in de Bijbel en, in derde instantie, in de kerkelijke traditie. Die openbaring is niet te bewijzen volgens de seculiere wetenschap, maar alleen waar te maken, in de persoonlijke, concrete ontmoeting van de gelovige met Jezus.

Barths compromisloze betoog, en zijn gepassioneerde schrijfstijl, maakten de Römerbrief tot een theologische sensatie. In één klap vertoonde het fundament onder de liberale theologie diepe scheuren. Voor theologen, is sindsdien vaak geopperd, hield de negentiende eeuw hier op en begon de twintigste. In scherp contrast met de 'natuurlijke theologie', werd Barths benadering bestempeld als neo-orthodoxie of als een 'theologie van de crisis', die de mogelijkheid van verzoening in de verstoorde relatie tussen God en mens alleen ziet in de liefdevolle genade van eerstgenoemde.

Zijn stellingname betekende een scherpe breuk met de defensieve houding waarin de theologie sinds de achttiende eeuw was gedrongen door de vooruitgang van de natuurwetenschappen en de opkomst van de historisch-kritische methode in het Bijbel-onderzoek. De positieve wetenschap scheurde de consensus uiteen die in de Middeleeuwen nog had bestaan in het onderzoek naar God (in de hemel) en de mens (op aarde). Theologische exegese van de Bijbel werd in het nauw gedreven door historisch tekstonderzoek, dat talloze inconsistenties en redactionale aanpassingen aan het licht bracht in Zijn Woord. Voor theologen zat er weinig anders op dan uit te wijken naar een rationeel goedgekeurd, maar weinig Bijbels deïsme - waarin God de horlogier werd die het mechaniek van de schepping in het begin had aangedraaid - of naar een subjectieve benadering van het geloof als 'mythe' of 'gevoel'.

Maar Barths afwijzing van de liberale theologie had behalve een theologische ook een politieke achtergrond. Als jonge theoloog werd hij in Duitsland diep geschokt door het nationalistische enthousiasme dat de theologische wereld aan de dag had gelegd bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. De dweperige afgoderij van staat, natie en volk sterkte hem in de overtuiging dat de theologie, die de exclusieve waarheid van Jezus Christus verkondigde, een verticale inbreuk moest zijn op deze leefwereld van de mens, en daaruit niet, zoals de liberale theologie meende, kon worden afgeleid. Er is geen 'natuurlijke overgang' tussen God en mens, aldus Barth, maar een kloof, die slechts door zijn openbaring wordt overbrugd.

Met zijn neo-orthodoxe boodschap verwierf Barth in brede kring de reputatie de grootste theoloog van de twintigste eeuw te zijn. Time Magazine zette hem begin jaren zestig op de cover. Zijn passie voor de concrete inhoud van het geloof, in plaats van voor epistemologische en taalfilosofische fijnslijperij, inspireerde generaties theologen en gelovigen. Zijn uitleg van het relationele waarheidsbegrip in de Bijbel - de persoonlijke ontmoeting van de gelovige met Jezus - en zijn subtiele rehabilitatie van de leer van de Heilige Drieëenheid, werden wijd en zijd gezien als belangrijke theologische inzichten.

Ook na Der Römerbrief bleef Barth de pen geregeld polemisch hanteren, vooral toen in de jaren dertig in Duitsland een nieuwe afgod de kop opstak. Tegen de naar zijn smaak te soepele opvattingen van Emile Brunner over de goddelijke openbaring, schreef Barth in 1934 een pamflet met de onverbiddellijke titel Nein! Aan de verleidingen van de natuurlijke theologie, die hij bij Brunner meende te herkennen, mocht geen millimeter worden toegegeven. Brunner, aangeslagen door de donderpreek van zijn grote voorbeeld, zocht van de schrik nog jaren naar ketterijen in het werk van Barth, totdat de twee zich ten slotte, op hoge leeftijd, met elkaar verzoenden. Met het nazi-regime verzoende Barth zich nooit. In 1935 werd hij ontslagen als hoogleraar in Bonn. Hij remigreerde naar Zwitserland en vestigde zich in zijn geboortestad Bazel.

Na de oorlog werd Barth ook onder zijn kerkgenoten en vakbroeders allengs vaker het middelpunt van controverses. Met zijn extreme nadruk op de openbaring en op het initiatief van God, bagatelliseerde hij volgens zijn critici de rol van de mens in het geloof. Ook zijn strenge 'christomonisme', de overtuiging dat de openbaring Gods alleen via Jezus Christus kan worden vernomen, ging velen te ver, al was het maar omdat dit een strikte afwijzing inhield van niet-christelijke religies. Een haard van moeilijkheden bleef ten slotte de vraag hoe Barths claim dat theologie een wetenschappelijke discipline is, te rijmen valt met zijn categorische afwijzing van externe, universele criteria.

Tegen het einde van zijn leven, in de turbulente jaren zestig, lag Barth van diverse kanten onder vuur. De 'god is dood'-beweging, de bevrijdingstheologie en andere stromingen die het geloof vooral een politieke en maatschappelijke invulling wilden geven, maakten duidelijk dat Barths transcendente God voor velen een brug te ver was. De theologie kreeg bovendien te maken met structuralisme en deconstructionisme, de kleinkinderen van de Verlichting, die elke notie van transcendentie verwierpen. Tegen het eind van de eeuw is het project dat Barth aan het begin ervan ondernam, een complete reconstructie van de christelijke dogmatiek, in die soevereine vorm ondenkbaar geworden. Ondanks de majestueuze stucwerkzaamheden van de Zwitserse kerkvader, is het gebouw van de theologie blijven afbrokkelen.