'De hele mensheid leeft in ballingschap'; Aryeh Lev Stollman over zijn romandebuut

“De personages in mijn boek voelen zich geen van allen echt thuis,” zegt de joods-Amerikaanse schrijver Aryeh Lev Stollman over zijn debuut 'De verre Eufraat', een ontwikkelingsroman over de schaduwen van de Tweede Wereldoorlog. Aryeh Lev Stollman: De verre Eufraat. Roman. Vertaald uit het Engels door Babet Mossel. Meulenhoff, 197 blz. ƒ 36,90

In zijn succesvolle romandebuut De verre Eufraat (The Far Euphrates) beschrijft de Amerikaanse schrijver Aryeh Lev Stollman de volwassenwording van Alexander, enig kind van een rabbijn in het Canadese plaatsje Windsor. Het prachtig sober vertelde - en vertaalde - verhaal speelt zich af rond de jaren zestig, maar de schaduwen van de Tweede Wereldoorlog zijn zichtbaar.

Alexander is een dagdromer die opgroeit in de besloten wereld van zijn ouders en hun beste vrienden, de voorzanger in de synagoge (de Cantor), zijn vrouw en zijn tweelingzuster. Zijn vader is de steun en toeverlaat van de joodse gemeenschap in Windsor; daarnaast bestudeert hij de geschiedenis van de talmoedacademies in het oude Mesopotamië en houdt hij zich bezig met de kabbala, de joodse mystieke literatuur uit de Middeleeuwen. De Cantor en zijn zuster zijn in Auschwitz slachtoffer geweest van de experimenten van Mengele. Alexander krijgt daarover als tienjarig jongetje een schokkend geheim te horen, dat hij pas jaren later kan verwerken.

Stollman (43) is als schrijver geen beginneling. Naast zijn werk als neuro-radioloog in New York schrijft hij al vijftien korte verhalen. Net als zijn hoofdpersoon is Stollman de zoon van een rabbijn in Windsor. Stollman: “Ik heb een situatie gekozen die ik kende. Dat was mijn manier om een geloofwaardige wereld te creëren. Maar ik schrijf fictie. Mijn vader was behalve rabbijn hoofd van de vakgroep Engels aan de universiteit van Windsor. Mijn moeder heeft vier kinderen en is een heel warm iemand. Helemaal niet de in zichzelf gekeerde, nerveuze vrouw uit het boek.”

Stollman kreeg een klassieke joodse opvoeding en studeerde na de middelbare school twee jaar aan een jesjiva, een talmoedschool. “Ik vond het heerlijk om twaalf tot vijftien uur per dag alleen maar te studeren. De joodse literatuur is zo rijk aan verbeelding. Aanvankelijk las ik vooral de talmoed en de bijbel. Pas de laatste tien jaar ben ik gefascineerd geraakt door de mystieke literatuur. De kabbala boeit me omdat ze verklaart hoe de stoffelijke wereld geschapen kon worden door een onstoffelijke God. De kabbala wordt vaak geassocieerd met magie, maar met dat aspect heb ik weinig op.”

Als vroegwijs, gevoelig joods jongetje past Alexander in de traditie waarvan joodse schrijvers als Chaim Potok, Amos Oz en David Grossman deel uitmaken. Toch zijn dit niet de auteurs door wie Stollman zich beïnvloed voelt. “Mijn lievelingsschrijvers zijn helemaal niet joods. Flannery O'Connor bijvoorbeeld, was streng katholiek. Ze schrijft bondig en is afwisselend grappig, nuchter, uitgelaten en droevig. Alice Munro gaat heel vaardig om met het hier en nu. En Ford Madox Ford bewonder ik omdat hij altijd wat te raden overlaat. Je ziet dat ook bij Japanse schrijvers. Eén moderne Hebreeuwse schrijver bewonder ik erg, S.J. Agnon. In mijn boek schrijft de Cantor een oratorium. Dat heb ik Le'olam wa'ed - 'Voor eeuwig en altijd' - genoemd, naar een boek van Agnon.”

Als Alexander zestien is, naait hij zijn gordijnen dicht en sluit hij zich een jaar lang op zijn kamer op. Hij noemt dit tsimtsoem, de term die in de kabbala gebruikt wordt om aan te geven hoe God zich in zichzelf terugtrok om ruimte te maken voor de schepping. “Hij doet dat niet omdat hij denkt dat hij God is,” zegt Stollman, “maar om een ordening in zichzelf aan te brengen, om te weten hoe hij verder moet leven. Iedereen heeft die behoefte soms. Voor mij was het verblijf in de jesjiva een soort tsimtsoem.”

Alexander gebruikt zijn afzonderingsperiode om te studeren, maar ook om zijn eigen lichaam grondig te leren kennen. Daarbij ontdekt hij zijn homoseksuele gevoelens. Deze spelen een bijrol in het boek, aldus Stollman, maar weerspiegelen tegelijkertijd het hoofdthema, het verlies van een thuis. “De titel verwijst daarnaar. Bij de Eufraat lag de hof van Eden. Na de verdrijving uit het paradijs verloor de mensheid haar huis. Niet alleen het joodse volk, maar de hele mensheid leeft in ballingschap. De personages in mijn boek voelen zich geen van allen echt thuis. De moeder en de vrouw van de Cantor voelen zich opgesloten in het provinciaalse Windsor, de Cantor en zijn zuster zijn ontregeld door de experimenten van Mengele, en Alexander hoort er niet helemaal bij door zijn homoseksualiteit. Maar hij accepteert het wel. Ja, dit aspect is autobiografisch.” Stollman had geen vooropgezet plan om De verre Eufraat te schrijven. “Ik droomde op een nacht over een waarzegster die Alexander de toekomst voorspelt. Dat zette de toon voor het verhaal.” Inmiddels heeft hij het contract voor zijn tweede roman al op zak. Het boek moet alleen nog geschreven worden. Daarom heeft hij zijn medische werk op een laag pitje gezet. “Of ik me meer schrijver of meer arts voel? Dat is net zoiets als aan ouders vragen van welk kind ze het meeste houden. Een schrijver en een arts proberen allebei op hun manier het leven te bevestigen.”