Zorg: personeel werven met een slecht imago

Op 2 april begint de slag om de cao in de zorg. Bonden èn werkgevers eisen geld voor een “concurrerende cao” om het imago van de gezondheidszorg te verbeteren.

DEN HAAG, 26 MAART. “Het imago van de gezondheidszorg als goede werkgever is niet bijster groot”, zegt I. Stel, woordvoerder van de stichting Arbeidsmarkt- Werkgelegenheids- en Opleidingsfonds (AWOZ). Lage lonen en een hoge werkdruk, daar staat de sector volgens haar om bekend. En het beeld van de verpleegster als “Florence Nightingale die alleen maar billen wast” kan volgens haar ook nog wel wat tegengas gebruiken. “Er is zóveel veranderd. Verstandelijk gehandicapten bijvoorbeeld werden vroeger opgeborgen in de bossen, nu zie je ze werken in lunchrooms en fietsenstallen. Voor personeel in de zorg is dat veel uitdagender dan je hele leven met een groep werken en samen met de bewoners oud worden.”

Steeds minder jongeren kiezen voor een baan in de zorg. Mede daardoor voorzien verschillende onderzoeken voor het begin van de volgende eeuw een tekort van 20.000 tot 90.000 verpleegkundigen. Niettemin zagen werkgevers en bonden in de zorg er gisteren vanaf een plan aan te bieden aan de minsters Melkert (Sociale Zaken) en Borst (Volksgezondheid) om het imago van de zorg te verbeteren. Dat had te maken met de onderhandelingen voor de cao Ziekenhuiswezen (360.000 werknemers) die volgende week beginnen. Werkgevers en bonden weigeren mee te werken aan enig plan zolang het kabinet niet meer geld beschikbaar stelt voor hogere salarissen dan de 900 miljoen die Borst heeft beloofd. De politiek vindt dat de zorgsector op andere manieren een baan in de zorg aantrekkelijker moet maken.

Volgens AWOZ, speciaal belast met personeelsproblemen in de gezondheidszorg, zijn lage lonen niet de hoofdoorzaak van het imagoprobleem. “Zeker als je het vergelijkt met de ons omringende landen scoren we niet slecht”, zegt Stel. “Het beeld dat de lonen te laag zijn is eigenlijk te lang blijven hangen.” Maar ze erkent dat de zorgsector op dit moment zelf weinig doet om dat beeld te veranderen. “We zitten met het dilemma dat we bij de politiek de knelpunten voor het voetlicht moeten brengen en tegelijk de positieve punten van het beroep moeten laten zien.”

Ook volgens het Instituut voor Arbeidsvraagstukken (IVA), dat voor minister Borst de problemen met de personeelsvoorziening tot 2007 in kaart heeft gebracht, is een baan in de zorg wel degelijk aantrekkelijk. Ondanks de economische groei kunnen ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en inrichtingen volgens het IVA de concurrentie met de andere sectoren goed aan. Het personeelsbestand groeit nog steeds, in ongeveer hetzelfde tempo als de vraag naar zorg. Het verloop onder het personeel is relatief groot maar, stelt het IVA, het ontslag van een verpleegkundige bij een ziekenhuis betekent niet dat deze dan voor de zorg verloren is: In ruim eenderde van de gevallen stapt die over naar een ander ziekenhuis. En van de vrouwen die stoppen met verplegen om voor de kinderen te zorgen keert volgens het IVA ruim de helft op enig moment terug.

Dat het voor zorginstellingen toch moeilijk wordt de komende jaren voldoende personeel te vinden is voor een belangrijk deel te wijten aan demografische ontwikkelingen als 'vergrijzing' en 'ontgroening'. Mensen leven langer en hebben na hun zestigste verjaardag meer zorg nodig. Aan de andere kant neemt het aantal jongeren af, waardoor onderwijsinstellingen en werkgevers sterker moeten concurreren om nieuwe aanwas. “De automatiseringsbranche loopt al met auto's te leuren”, constateert Stel. Volgens R. de Vries, waarnemend directeur van de de Nederlandse Zorgfederatie is de schoolverlater van nu zeer calculerend. “Ze vragen zich af wat ze in de zorg gaan verdienen. Als dat minder is dan elders gaan ze iets anders doen.”

Of schoolverlaters werkelijk zo denken wordt nog onderzocht. Zeker is wel dat het leerlingenbestand van de zorgopleidingen de laatste jaren veel kleiner is geworden. Volgens cijfers van het Nederlands Zorginstituut volgden in 1990 11.834 jongeren in een ziekenhuis een interne opleiding tot verpleegkundige en waren dat er vorig jaar nog maar 5.802. Het aantal leerlingen in het dagonderwijs voor verpleging daalde in dezelfde periode van 15.365 tot 10.512. De dalende belangstelling is volgens Stel ten dele het gevolg van de veranderingen bij de opleiding, die na een jarenlange discussie werden ingevoerd op 1 augustus vorig jaar. “Decanen op de HAVO wisten een tijdlang niet waarheen ze hun leerlingen konden verwijzen.”

Volgens het IVA dreigt personeelsgebrek in de zorg vooral bij een sterke groei van de sector. Groeit het budget in voortzetting op het huidige beleid met 1,3 procent, dan voorziet het IVA nauwelijks problemen. De bestaande 'arbeidsreserve' (de groep die de zorg de rug toekeert maar waarvan ongeveer de helft er later weer gaat werken) en de instroom uit de opleidingen is volgens het instituut voldoende om de groeiende vraag op te vangen. Stijgt het budget voor de zorg zoals de verkiezingsprogramma's beloven met 2 procent per jaar, dan ontstaat er na 2002 een probleem. Er komt dan een tekort aan verpleegkundigen dat oploopt van bijna 5.000 in 2002 tot ruim 26.000 in 2007. In het meest ongunstige scenario kan het tekort aan verpleegkundigen volgens het IVA oplopen tot 40.000 in 2007.

Werkgevers en bonden zoeken de oplossing voor verbetering van het imago van de zorg in betere kinderopvang en verlaging van de werkdruk, zo blijkt uit het gisteren verschenen plan van aanpak. De onderzoekers van het IVA menen dat de sector moet proberen meer leerlingen en studenten die een opleiding tot verzorgende of verpleegkundige hebben gevolgd moeten bewegen ook daadwerkelijk in de zorg aan de slag te gaan. Op dit moment stapt meer dan de helft na de opleiding in een baan buiten de sector.

Volgens Stel moet de zorgsector zich richten op 'leeftijdsbewust' personeelbeleid voor het steeds groter wordende aantal oudere verpleegkundigen en verzorgenden. Ook moet zij gericht en actief werven onder doelgroepen als herintredende vrouwen, allochtonen en vrouwen die nog nooit een betaalde baan hebben gehad. “Die hebben vaak al een ruime ervaring in het vrijwilligerswerk. Met wat omscholing moet je die zeker kunnen benutten.”