Uitstel stroomfusie kostbaar; EPON-topman Ludo van Halderen maakt zich ernstig zorgen

De vier stroomproductie-bedrijven willen zo snel mogelijk fuseren om één commercieel sterke, landelijke onderneming te vormen. Bij de besluitvorming door aandeelhouders is vertraging opgetreden die 1 miljoen gulden per dag aan omzet kost. Topman Van Halderen: “Volgende week dinsdag moeten we een akkoord hebben, anders is er een serieus probleem.”

ARNHEM, 26 MAART. Directievoorzitter ir. Ludo van Halderen van EPON, een van de vier regionale elektriciteits-productiebedrijven die willen fuseren, ziet met lede ogen dat buitenlandse concurrenten als Enron en Norsk Hydro de Nederlandse sector klanten afpikken.

“Ze hebben hier al contracten afgesloten met industriële stroomverbruikers en zijn volop bezig met offertes. Dat is op zich logisch want de concurrentie breidt zich snel uit door de liberalisering van de Europese energiemarkt. Het betekent wèl dat de Nederlandse bedrijven nu gemiddeld voor 1 miljoen per dag aan omzet in de markt verliezen. We moeten zo snel mogelijk één bedrijf vormen om voldoende tegenwicht te vormen.”

Van Halderen is tevens voorzitter van het directieberaad van de vier regionale bedrijven en de overkoepelende organisatie Sep, dat het principebesluit om te fuseren van december vorig jaar heeft uitgewerkt. Op 5 maart hebben de aandeelhouders de fusiedocumenten goedgekeurd. De moeilijkste opgave waarmee Van Halderens team nu nog worstelt is om volledige overeenstemming met de beoogde aandeelhouders (de distributiebedrijven) over zakelijke details te krijgen.

Van Halderen: “We hebben met delegaties van de distributiebedrijven voorstellen voor commerciële contracten gemaakt die voor beide zijden erg belangrijk zijn, maar die worden niet door alle distributiebedrijven in gelijke mate gewaardeerd. Afgesproken is dat we volgende week dinsdag uitsluitsel krijgen. Dan is het erop of eronder. Als het niet lukt hebben we een serieus probleem. Dan zullen partijen bij zichzelf te rade moeten gaan in hoeverre het belang van de fusie moet prevaleren boven minieme verschillen van opvatting.”

De geplande fusiedatum en de vorming van één landelijk Grootschalig Productiebedrijf (GPB) per 1 april aanstaande is uitgesteld tot 1 juli omdat een aantal aandeelhouders de uitkomst van het debat in de Tweede Kamer over de nieuwe Elektriciteitswet wilde afwachten. In die wet zijn randvoorwaarden voor fusie vastgelegd. Dinsdag heeft de Kamer de wet met grote meerderheid aangenomen.

Verder uitstel acht Van Halderen onverantwoord. “De politiek heeft nu gesproken, de wet is duidelijk en de sector is aan zet. Onze medewerkers leven nu al meer dan een jaar in onzekerheid. Het is niet verantwoord dat nog langer te laten duren. Bovendien zijn er aanvragen uit het buitenland voor grote leveringscontracten, voor een vermogen van honderden megawatts. Denkt u aan de Duitse markt die per 1 april wordt vrijgemaakt. Het gaat om een Europese concurrentiestrijd. Onze offertes baseren we op de verwachting dat we snel als één commerciëel bedrijf met één leiding en de bijbehorende schaalvoordelen kunnen opereren.”

“We gaan ervan uit dat onze beoogde aandeelhouders het GPB die Europese rol willen laten spelen”, aldus de voorzitter van het directieberaad. “De distributiesector heeft zelf belang bij een sterk GPB dat tegen de laagst mogelijke kosten produceert. Omgekeerd hechten wij sterk aan een akkoord, want de distributiebedrijven zijn in Nederland onze belangrijkste klanten.”

Die verhouding is gecompliceerd en onvergelijkbaar met gevestigde particuliere ondernemingen. Want aandeelhouders en producenten in de elektriciteitssector die nu beide veranderen van traditionele nutsbedrijven in marktgestuurde ondernemingen, willen bij de productie ook nog eens met elkaar concurreren. De distributiebedrijven die zich tot tien jaar geleden slechts bezighielden met de levering van stroom en gas, bouwen nu ook volop warmte-krachtcentrales, samen met de industrie. Ook het GPB is op die markt actief. Van Halderen pleit hier voor een bundeling van krachten waar dat mogelijk is. “Samen hebben we de deskundigheid. Dat kan win-win-situaties opleveren.”

Dat is ook het geval bij de nog resterende meningsverschillen, die gaan over zogenoemde verstromingscontracten en leveringscontracten. 'Verstroming' wil zeggen dat een klant een voordelig aardgascontract in het buitenland afsluit (goedkoper dan bij de Nederlandse Gasunie) en dat gas ter beschikking stelt aan het GPB om er stroom mee op te wekken. “Op die behoefte willen wij graag op inspelen, maar het moet wel gaan om marktconforme contracten. Beide partijen moeten er voordeel bij hebben, anders is het niet verantwoord”, zegt Van Halderen.

Vorige week vatte hij het probleem tegenover deze krant zo samen: “Wij (als productiesector) laten ons niet financieel uitkleden.” De distributiesector wil jaarlijks een vermogen van 5 gigawatt (5.000 megawatt) via verstromingscontracten laten opwekken, maar het GPB acht dat aandeel te hoog en wil niet verder dan 2,4 gigawatt gaan. Daarnaast spelen er nog problemen met contracten na de overgangsperiode die in het jaar 2000 eindigt. Binnen die periode nemen de distributiebedrijven het leeuwendeel van hun stroomvraag af bij het GPB om dat bedrijf een goede startpositie te geven, daarna zijn ze vrij in de keuze van hun leverancier.

Het GPB is mede betrokken bij de oprichting van een Elektriciteitsbeurs (een Nederlandse spotmarkt) waarop spoedig kort- en langlopende contracten verhandeld kunnen worden. Van Halderen: “Je ziet dat grote industrieën en nieuwe handelaren op die beurs gaan opereren. Het wordt een belangrijk deel van de markt. Als producent moet je een heldere partij zijn die op puur commerciële basis aanbiedingen doet. Zo'n bedrijf moet het GPB binnen twee à drie jaar worden.”

In de eerste jaren zal de winst van het GPB 200 à 250 miljoen gulden per jaar bedragen, bij een omzet van 7 miljard. Die moet daarna fors worden opgekrikt en de doelstelling voor het rendement op geïnvesteerd vermogen na belastingen is 10 procent. Van Halderen: “Binnen het GPB moet nog veel worden veranderd om dat allemaal te halen: reorganisatie, kostenbesparing, een uiteindelijke personeelsreductie met 1.500 mensen en ruimte maken voor investeringen in de modernste, milieuvriendelijke centrales en in duurzame energievormen.”