Nuis wijst claim van erven Goudstikker af; Erfgenamen beginnen procedure tegen staat

DEN HAAG, 26 MAART. De erfgenamen van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker stappen naar de rechter, nu de regering heeft besloten hun claim af te wijzen. Zij eisen de waardevolle verzameling schilderijen terug die Hermann Goering in 1940 van de kunsthandel kocht en die na de oorlog in staatsbezit kwam.

“Mijn eerste indruk was dat er destijds geen onrecht is geschied”, zei staatssecretaris A. Nuis (Cultuur) gisteren in een toelichting op het besluit. “Ik heb grondig gezocht naar aanwijzingen dat ik ongelijk had. Maar de conclusie is dat ik die niet heb kunnen vinden.”

Uit onderzoek dat de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW de afgelopen maanden heeft verricht, is gebleken dat de staat 234 schilderijen bezit die van Goudstikker zijn geweest. Tot nog toe was onduidelijk om hoeveel werken het precies ging. De schilderijen, waaronder topstukken van Rembrandt, Rubens en Steen, hangen in diverse Nederlandse musea en overheidsgebouwen.

De weduwe van Goudstikker had, volgens Nuis, de schilderijen na de oorlog terug kunnen vragen, maar heeft 'bewust en weloverwogen' besloten dat niet te doen. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft de staatssecretaris 'dat mevrouw Goudstikker over uitstekende adviseurs beschikte - experts op verschillende terreinen - die haar hebben afgeraden de transactie terug te draaien'. Er is de afgelopen maanden niet onderhandeld met de in Amerika wonende erven van Goudstikker, aldus Nuis, omdat de staat van mening is dat die nergens aanspraak op kunnen maken. “Juridisch niet, en ook inhoudelijk niet”, zegt de staatssecretaris.

“Ik ben teleurgesteld”, reageert R. van Holthe tot Echten, advocaat van Goudstikkers schoondochter Marei von Saher en haar twee dochters. De raadsman zal namens de erfgenamen een bodemprocedure beginnen bij de Haagse rechtbank, waarin hij onder meer zal gaan betogen dat de weduwe van Goudstikker na de oorlog niet goed is voorgelicht door haar advocaten.

Jacques Goudstikker (1897-1940), een joodse Amsterdammer, was voor de oorlog een van de bekendste kunsthandelaren van Nederland. In mei 1940 overleed hij tijdens een vlucht voor de Duitse bezetters. Kort daarna deden twee achtergebleven werknemers van Goudstikker al diens bezittingen van de hand. De kunsthandel en het onroerend goed verkochten zij voor 550.000 gulden aan de Duitse bankier Alois Miedl, de schilderijen gingen tegelijkertijd voor twee miljoen gulden naar Hermann Goering. Een deel van de schilderijen werd na de oorlog in Duitsland teruggevonden en weer naar Nederland gebracht.

Na de oorlog werden transacties met de Duitsers ongeldig verklaard. Wie zich gedupeerd voelde kon een 'verzoek tot rechtsherstel' indienen. Hij of zij kreeg, als dat verzoek gehonoreerd werd, de goederen die tijdens de oorlog waren verkocht terug in ruil voor het geld dat daarvoor was ontvangen.

De weduwe van Goudstikker, Désirée von Saher, diende na de oorlog zo'n verzoek tot rechtsherstel in om de verkoop aan Miedl (van onder meer het kasteel Nijenrode) terug te draaien. Voor de transactie met Goering, die de waardevolle schilderijen betrof, deed zij dat niet. In 1952 trof ze een schikking met de staat. Ze kreeg 'rechtsherstel' voor de verkoop aan Miedl, maar zag af van een claim op de schilderijen die aan Goering waren verkocht. De opbrengst van de verkopen aan Goering en Miedl, waarvan volgens OCW na de oorlog ruim 1.300.000 gulden resteerde, mocht ze vrijwel geheel houden.

De staat, zegt Nuis, heeft er bij de weduwe aanvankelijk zelfs nog op aangedrongen ook voor de transactie met Goering 'rechtsherstel' te vragen. Het Nederlands Beheers Instituut, dat de zaak namens de Staat afhandelde, was namelijk van mening dat de verkopen aan Goering en Miedl onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Maar de weduwe diende nooit een verzoek in om de Goering-transactie ongedaan te maken. Het onderzoeksrapport van de Inspectie Cultuurbezit citeert uit een memorandum van Von Sahers advocaat uit 1950: 'Een dergelijk rechtsherstel zou onafwendbaar hebben moeten leiden tot het weder in leven roepen van een kunsthandel met alle nadelige gevolgen vandien, temeer daar er geen persoonlijkheid kon worden gevonden om een dergelijk bedrijf te leiden en betrouwbaar personeel ontbrak'. Bovendien, schreef Von Sahers nieuwe echtgenoot: 'Enkele schilderijen van de Kunsthandel bleken zeer ernstig beschadigd te zijn'. Kortom, zegt Nuis, “de erven hebben in feite gekregen wat ze vroegen.”

Volgens de advocaat van de erven is deze reconstructie niet correct. “Nuis licht er enkele gebeurtenissen uit. Feit is dat men na de oorlog zeven jaar heeft gepraat over de zaak.” De weduwe Goudstikker is volgens hem “stukgeprocedeerd”.

Staatssecretaris Nuis heeft nog overwogen 'een gebaar' te maken in de vorm van “een opdracht voor een boek, of de teruggave van een meubelstuk dat voor de familie van emotionele waarde is”. Hij vindt dat “de naam Goudstikker door de hele zaak een beetje in diskrediet is gebracht. En dat verdient hij niet, want het was een bijzondere man. Ik had iets willen doen om hem te rehabiliteren en heb daarover informeel met de familie gecommuniceerd. Het was puur als gebaar bedoeld, niet als onderhandelingsvoorstel. De reactie van de erfgenamen was dat hen onrecht is aangedaan en dat zij een vergoeding willen.”