Jan Stap

Jan Stap

Daar gaat de graver voor ons uit Om met zijn spade een graf te delven De dorpsjeugd lacht en schatert luid: Jan Stap begraaft nog eens zich zelven! Getroost verdraagt de man den spot De dwaze grappen van de kindren; Het hinken, denkt hij, is zijn lot Hij kan dat euvel niet verhindren.

Een misstap is zoo licht gedaan Dan is het kwaad niet meer te keeren De wereld blijft een hinkebaan Ziedaar, wat u Jan Stap kan leeren.

Een schaap, zijn needrig eigendom Blijft hij met trouw zorg bewaken Het dier graast op het kerkhof om Het gras schijnt daar zeer goed te smaken.

(...)

Wie veel met dooden heeft verkeerd Dien kan het sterven niet verschrikken Die heeft het reeds voorlang geleerd Blijmoedig naar omhoog te blikken.

Ach, kwam de dood nu spoedig maar Een einde maken aan zijn grappen Het valt Jan Stap volstrekt niet zwaar Bedaard de wereld uit te stappen.

Met eer begraven door de maats Zal iedereen zijn dood beweenen Zijn hart zat op de rechte plaats Maar anders was het met zijn beenen.

J.E. Banck (1833-1902)

Een derde opvallende eigenschap van slechte poëzie is dat ze belerend wil zijn. Goede vaderlanders, brave huisvaders en vrome filantropen waren ze, onze negentiende-eeuwse poëtasters, en dat wilden ze laten weten ook. Ze klommen bij elk evenement, hoe groot of nietig ook, in de pen om hun medeburgers op de moraal ervan te wijzen. Ze zagen in het wereldleed een les. Ze zagen in de waterdruppel een les. Overal hoorde een les bij.

Zelfs bij de lamme poot van Jan Stap, in het bijgaande gedicht van J.E. Banck, hoorde een les:

De wereld blijft een hinkebaan Ziedaar, wat u Jan Stap kan leeren

- het moet voor het dom publiek begrijpelijk blijven. Door een hinkebroer Jan Stap te noemen geeft J.E. Banck al meteen te kennen dat het niet in zijn bedoeling ligt overdonderend origineel te willen zijn. Vandaag laat uw dichter zien dat hij niet alleen van hoge vluchten houdt maar ook met beide benen op de grond kan blijven. Nu, met anderhalf been. Vandaag noemt uw dichter het water van de Rijn gewoon rivierwater en niet 'de reuzenvracht der Alpen' of 'het erfgoed van 't vervlogen jaar'. Toch is het een slecht gedicht. Door die brave les.

Of heeft het versje toch een dubbele bodem? Je zou het door het droogkomiek aandoende

Het valt Jan Stap volstrekt niet zwaar Bedaard de wereld uit te stappen

bijna denken. J.E. Banck is er ook wel de figuur voor. Hij werd geboren in Soerabaja en studeerde in Leiden. Daar maakte hij deel uit van de vriendenclub van Piet Paaltjens. In 1859 publiceerde hij een bundel 'lyrische dichtproeven' die de onverbeterlijke titel Zeepbellen draagt. In hetzelfde jaar, volgens K. ter Laan, 'kocht hij het eiland Schiermonnikoog'. Hij werd rechter in Den Haag en werkte mee aan de Nederlandsche Spectator.

Zo'n man geef je krediet. Vooral vanwege dat Schiermonnikoog. Maar lees je vervolgens - in dezelfde bundel als waaruit Jan Stap komt, de Verspreide gedichten uit 1868 - zijn gedicht Bij de inwijding der nieuwe kerk te Schiermonnikoog -

Als een haven Voor de braven Bouwden wij dit vredehuis; Stroomt er henen Wie daar weenen Wie den druk torscht van het kruis

- dan is elk vermoeden van parodie of dubbele bodem weer weggenomen. Hier is een Paaltjens zonder Paaltjens aan het woord. Er is met Bancks komisch werkende zinnen, zo tegengesteld aan het zwaar aangezette ronken, dreunen, hijgen en zwalpen waar we het in de slechte poëzie doorgaans mee moeten doen -

Het dier graast op het kerkhof om Het gras schijnt daar zeer goed te smaken

en

Zijn hart zat op de rechte plaats Maar anders was het met zijn beenen

- niets sarcastisch of Heiniaans aan de hand. We zitten hier dicht op de huid van de meest exquise eigenschap van de slechte poëzie, de bonus waar iedere rechtgeaarde liefhebber op aast: de ongewilde humor.