In Armenië rookt geen enkele schoorsteen

De voormalige Sovjet-republiek Armenië - waar aanstaande maandag presidentsverkiezingen worden gehouden - zou nu misschien een redelijk functionerende economie hebben als de omvangrijke Armeense diaspora volop in het moederland had mogen investeren. De politieke leiding zag dat niet graag omdat zo een fout soort nationalisme aangemoedigd zou worden. Heel jammer, vindt nu de minister van Handel en Industrie, die met een salaris van 80 dollar per maand moet zien rond te komen. Portret van een stil en triest land.

Hij staat langs de weg in Etsjmiadzin, een dorpje op 26 kilometer ten westen van de Armeense hoofdstad Jerevan, een oude man in een verschoten blauwe jas en met een veel te grote pet op en met een witte stoppelbaard van drie dagen op de holle wangen. Voor zich heeft hij een bakje zonnebloempitten staan, met wat gevouwen zakjes van krantenpapier. Hij verkoopt ze voor 25 dram elk - omgerekend een dubbeltje.

Zeven zoons heeft hij, zegt hij, lispelend tussen de gaten in zijn gebit door, en alle zeven zijn ze werkloos, mijn inkomen is het enige in het gezin. Aan pensioen krijgt hij vierduizend dram in de maand (acht dollar; er passen 500 dram in een dollar). “Het is niet eens genoeg voor droog brood.” Met die zonnebloempitten kan hij achthonderd tot duizend dram per dag verdienen. Nee, veel is het niet, en genoeg is het ook niet, maar zonder die pitten zouden we niet overleven.

Zijn hele leven heeft hij gewerkt, als bouwvakker in Georgië. Vroeger, zegt hij, was alles beter, “er was werk, ik kon met vakantie, ik kon naar het sanatorium, en vier van mijn kinderen werkten”. Nu is hij 75 en is er niets meer. Of hij terugverlangt naar vroeger, toen Armenië een Sovjet-republiek was? Natuurlijk verlangt hij terug. Onafhankelijkheid? Hij heft de oudemannenhanden omhoog en lispelt van onder die veel te grote pet: wat maakt het uit?

De zonnebloempittenverkoper in Etsjmiadzin, het stadje waar in het jaar 301 de Armeniërs tot het christendom overgingen, waar in het jaar 404 hun alfabet werd ontworpen en waar in 426 hun eerste bijbelvertaling werd voltooid, is symptomatisch voor veel Armeniërs. De ineenstorting van de Sovjet-Unie, de oorlog in Karabach, de sluiting van de grenzen met de twee belangrijkste buurlanden, de relatieve onbekendheid - en het gebrek aan internationale aandacht - hebben geleid tot een volledige instorting van de economie van Armenië. Armenië is een verwegland, alleen de oorlog om Karabach brengt het in de kranten. Een kaal en leeg land.

Doorkruis deze republiek van stenen en rotsen en vale bergen en dorre valleien waar niets groeit, dit land dat zo vaak op een maanlandschap lijkt - er gebeurt niets. Er rijden geen treinen, af en toe zie je verroeste treinwagons op even verroeste rails staan, lukraak en vergeten. De hoofdstad Jerevan en de andere steden staan vol hijskranen die al jaren niet werken, bij gebouwen die half zijn voltooid. Fabrieken liggen stil: geen rookpluimen, nergens. In winkels en op markten kun je een kanon afschieten. De straten bestaan uit gaten van tien tot twintig centimeter diep, waarover je je uitsluitend slalommend voortbeweegt, zelfs in het centrum van de hoofdstad. Niets beweegt hier.

De markt van Jerevan is gevestigd in een honderd meter lange hal aan de Mesrop Masjtots boulevard, de brede straat die is genoemd naar de ontwerper van dat alfabet en de vertaler van die eerste bijbel in het Armeens. Vier lange rijen met kraampjes. Er ligt van alles - groenten, fruit, blikvoedsel is er in overvloed. Alleen klanten, die zijn er niet. De paar die naar de markt komen beperken zich tot het kopen van brood bij de stalletjes aan de ingang: veel meer dan brood lijkt niemand zich te kunnen veroorloven. Wie moet rondkomen van dertig dollar in de maand - en dat is het gemiddelde inkomen - kan zich geen kilo tomaten voor 1.800 dram (3,50 dollar) veroorloven.

Veel op die markt komt uit het buitenland. Franse en Amerikaanse diepvrieskippen, voor 950 dram. Boter uit Nieuw Zeeland, Australië en Finland, 500 dram per pakje van half pond. Russische salami voor 3.200 dram de kilo. Kaas voor 1.200 dram per kilo - de gemiddelde Armeniër moet er bijna drie dagen voor werken.

Kippen uit Frankrijk? Hebben ze zelf geen kippen, de Armeniërs? Een vrouw zucht achter haar kraam. Ja, er zijn wel kippen, vroeger waren ze er in overvloed. Maar de boeren hebben geen mogelijkheid ze naar de markt te brengen. Er is geen vervoer, er is geen groothandel, niets is er.

De onafhankelijkheid van 1991 heeft de Armeense economie zwaar getroffen, in combinatie met de oorlog om Karabach, tegen Azerbajdzjan. Veertig procent van de industrie maakte in 1991 deel uit van het militair-industrieel complex van de Sovjet-Unie en was ten dode opgeschreven. Negentig procent van de import kwam uit Rusland en Centraal-Azië. Vrijwel alle export ging naar andere Sovjet-republieken. Die markt viel weg, radicaal, en letterlijk, want 85 procent van invoer en uitvoer verliep via spoorlijnen met Azerbajdzjan, die niet meer functioneerden door de oorlog. Een kwart van de bevolking van 3,28 miljoen zielen was in 1991 als gevolg van natuurlijke of politieke aardbevingen dakloos. En na Azerbajdzjan sloot ook Turkije met het oog op de oorlog de grenzen. Sindsdien is Armenië, land zonder havens, niet alleen zijn economische verbindingen met het belangrijke Rusland, maar ook die met de zee en met Europa kwijt en is het economische isolement compleet: wat er wordt in- en uitgevoerd moet ofwel via de omweg door Iran, ofwel door Georgië, dat veel te hoge doorvoerheffingen vraagt.

Garnik Nanagoelian is minister van Handel en Industrie van Armenië, een forse, joviale man. Het heeft, zegt hij, een paar jaar geduurd voordat ze zich een klein beetje aan al die negatieve invloeden konden onttrekken. Drie jaar lang modderen - met inflatiepercentages van duizend procent en meer per jaar, drie jaar lang waarin we de beslissingen van Moskou moesten volgen omdat ze zelf nog niets hadden.

Pas in 1995 en 1996 ging het beter, dankzij kredieten van IMF en Wereldbank, dankzij de oprichting van een eigen Centrale Bank, de invoering van de dram als eigen munteenheid en een wetgeving die investeerders een beetje tegemoetkwam.

Na twee jaar van relatieve groei volgde in 1997 een nieuwe dip. De economie groeide niet, zoals verwacht, met 5,7 maar nog maar met 3,3 procent en de inflatie dreigde met 21 procent per jaar weer uit de hand te lopen. “We zijn er nog niet”, zegt Nanagoelian. “We hebben geprivatiseerd, maar de bedrijven zijn in de jaren sinds 1991 achterop geraakt, ze hebben al die jaren niet kunnen moderniseren en investeren, niemand had daar geld voor. Elk bedrijf in dit land balanceert op de rand van het bankroet. Strikt genomen is de helft ervan bankroet.”

Nanagoelian geeft toe: het economisch milieu is vijandig, er is te weinig knowhow op het gebied van management en marketing, en de privé-bedrijven - 7.800 met 20.000 arbeidsplaatsen in een land van 3,5 miljoen inwoners - kampen niet alleen met een hoge rente, maar ook met de geërfde schulden van de staatsbedrijven die ze moeten afbetalen. “Dat houden ze niet vol. Ze kunnen niet groeien.”

Er wordt aan gewerkt, zegt Nanagoelian: “We maken het investeringsklimaat vriendelijker, we willen in onze begroting niet meer verdienen aan de privatisering van staatsbedrijven, we kijken bij de privatisering nu meer dan vroeger naar de markt, naar de banen die worden geschapen, naar de toekomst van die bedrijven. Het overleg met zakenpartners is serieuzer geworden.” Dat geldt ook voor de belastingwetgeving, de mogelijkheid van aftrek. “Onder de [vorig jaar aangetreden] premier Robert Kotsjarian is er een goede dialoog op gang gekomen met het bedrijfsleven. Er is al een beetje sprake van een sneeuwbaleffect, want nieuwe bedrijven beginnen te werken en plaveien de weg voor andere.”

Het buitenland begint ook belangstelling te tonen, zegt hij. Armtelekom wordt geprivatiseerd, daar is vijfhonderd miljoen dollar mee gemoeid; er zijn investeringsprogramma's voor de delving van goud, met de Canadezen; de hotels komen ook snel aan de beurt. In de tweede helft van 1997 is voor vijftig miljoen dollar geïnvesteerd in Armenië - dat is niets, maar het is wel twee keer zo veel als in de zes jaar daarvoor bij elkaar. Kotsjarian hoopt de komende drie jaar op investeringen voor 1,1 miljard dollar - de Armeense bal moet eindelijk gaan rollen.

Maar het zal tijd kosten. Veertig procent of meer van de beroepsbevolking is werkloos of sjoemelt in de grijze sector. De mensen die een baan hebben en verdienen, verdienen te weinig. Nanagoelian: “Het gemiddeld loon is dertig dollar. Ik krijg als minister een salaris van tachtig dollar per maand. Daar kan ik niet van leven, ik leef van mijn spaargeld. Mijn ouders krijgen elk zes dollar per maand. En dat zijn fatsoenlijke leden van de samenleving die hun hele leven hard hebben gewerkt en die altijd hadden gehoopt als gepensioneerden hun kleinkinderen te kunnen helpen. Nu leven ze op de zak van hun zoon.”

Zolang dat duurt, zal het niet beter gaan, weet Nanagoelian: “Als je ambtenaren niets betaalt, doen ze ook niets. Dan kun je niet verwachten dat ze zich inspannen voor dit land. Dan kijken ze uit naar andere bronnen van inkomsten - corruptie.” Bovendien staat nergens in de wet omschreven wat de regering kan en moet doen, wat ze niet kan en niet mag, zegt hij. “De regering is te groot, we moeten haar rol terugdraaien en meer aan de markt overlaten. De mensen zijn doodziek van de regering. En terecht.”

De mensen zijn doodziek van alles, zegt hij. “Ze zijn nerveus en moe, na al die jaren. Verwachtingen zijn niet uitgekomen. Het justitieel systeem werkt niet, onze rechtbanken zijn zinloos. Dat maakt de mensen gefrustreerd. Ze voelen zich onbeschermd.”

Sommige hervormingen zijn drastisch en doortastend geweest, zegt de minister, maar ze zijn zonder vervolg gebleven. “We hebben het land geprivatiseerd, als eerste ex-Sovjet-republiek. We hebben het land aan de boeren gegeven. Maar we hebben niet gezorgd voor machines, voor veevoer, voor een groothandel, voor kunstmest, voor een infrastructuur, voor kredietmogelijkheden. Daarom zie je geen Armeense kippen op de markt”, zegt hij. En hij zegt: “Onze boeren leven nog als in de zestiende eeuw.”

“Georgië heeft de zee, Azerbajdzjan heeft de olie, Armenië heeft de diaspora”, zegt Hagop Avedikian, hoofdredacteur van het daglad Azg (Natie). Armenië is ruig en leeg en heeft geen of nauwelijks natuurlijke hulpbronnen - maar er leven miljoenen Armeniërs in het buitenland. “En zij sturen geld, veel geld. Ze sturen tweehonderd miljoen dollar per jaar. En dat is veel in een land waar de hele jaarlijkse begroting driehonderd miljoen dollar beloopt.”

Natuurlijk, zegt Avedikian, veel van de misère ligt aan de verbroken verbindingen en aan de oorlog. Maar veel ligt ook aan de Armeniërs zelf die na 1991 de machines uit de fabrieken sloopten en ze als oud roest aan de Iraniërs verkochten. “We hebben koper en we hebben koperdraadfabrieken en we hebben buurlanden die om koperdraad zitten te springen. Alleen: de machines zijn weg, de mijnen liggen stil en de fabrieken ook.”

De grootste fout die sinds 1991 is gemaakt, zegt Avedikian, is de weigering van Levon Ter-Petrosian - president van Armenië tot januari van dit jaar - om samen te werken met de diaspora. Ter-Petrosian vond de diaspora te nationalistisch. Hij verbood de belangrijkste partij van de nationalisten, Dasjnaktsoetioen, sloot de leiders op en legde zwarte lijsten aan van leden van Dasjnaktsoetioen in het buitenland: zij kregen geen visum om Armenië te bezoeken. Avedikian: “Ter-Petrosian heeft de diapora geen mogelijkheden gegeven in Armenië te investeren. Als ze dat toch deden, mochten ze dat alleen doen in de vorm van joint ventures, maar daarvoor waren geen Armeense partners te vinden. En zelfs als het dan nog lukte, deed zijn regering niets om die bedrijven te helpen. Ze liet hen aan hun lot over en ze gingen failliet.”

Het tragische is dat de diaspora een barometer werd, zegt Avedikian. “Andere investeerders kwamen niet zolang de diaspora niet investeerde en zolang de weinige pioniers die dat wel deden, ten onder gingen. Hoe kun je van het Westen verwachten dat het naar ons kijkt als de diaspora het niet doet?”

Minister Nanagoelian prijst de diaspora, om het geld dat ze stuurt, want vijftig dollar per maand voor een gezin betekent het verschil tussen overleven en ondergaan, en omdat de diaspora weeshuizen en scholen en gaarkeukens en ziekenhuizen op de been houdt. Hij erkent: investeren doet die diaspora niet, maar, zegt hij, dat verandert, vooral dankzij premier Kotsjarian: “Er is nu een groeiende tendens om in Armenië te investeren.” Maar het gebeurt nog maar aarzelend, geeft hij toe: teveel is de afgelopen jaren stukgegaan. “Als je een veilig bedrijf hebt in Canada, ben je gek om hier te komen.”

Toch gaan we vooruit, zegt hoofdredacteur Avedikian. Vroeger moest het papier voor zijn krant uit Rusland worden overgevlogen. Nu krijgt hij het papier over de weg, via Georgië, en dat maakt de krant goedkoper. Azg is de tweede krant van het land, 6.500 exemplaren per dag worden er verkocht. Natuurlijk, het is niet veel, maar wat wil je, hij kost omgerekend dertig cent, en dat kunnen de meeste Armeniërs zich niet veroorloven. Jammer dat de levensstandaard de afgelopen jaren sneller is gedaald dan de prijs van zijn krant: een paar jaar geleden was de oplage nog 40.000. Maar, zegt Hagop Avedikian, het gaat wel de goede kant uit.