Het gevaar van profielveredeling

Profielen moeten zorgen voor een betere aansluiting tussen middelbaar en hoger onderwijs. Maar HBO en universiteit lijken het niet zo nauw te nemen.

MINDER UITVALLERS in het hoger onderwijs, daarvoor moet de tweede fase op de middelbare school zorgen. Of dat lukt is de vraag. 'OVO' heet het vak dat de aansluiting moet verbeteren, 'Oriëntatie op Vervolgonderwijs'. Leerlingen in de nieuwe tweede fase van het Havo en VWO kunnen zich tijdens de lessen OVO voorbereiden op een vervolgopleiding in het HBO of WO.

OVO wordt aangeboden binnen de 'vrije ruimte' die elke leerling naar eigen inzicht kan invullen. Behalve het 'doorstroomprofiel' en een gemeenschappelijk gedeelte bestaat er voor iedereen een vrije ruimte, waarvan de helft - 240 uur in het Havo en 520 uur in het VWO - wordt besteed aan niet-examengebonden onderdelen, waarvoor overigens wel een rapportageplicht geldt. Veel scholen bieden in dit gedeelte vakken aan waarmee ze zich willen profileren: levensbeschouwelijke vakken, informatietechnologie, vakken voor 'persoonlijke verbreding' zoals het volgen van masterclasses en het vervullen van een bestuursfunctie, of lessen in de eigen toekomstplanning.

Alle scholen - zo is de verwachting - zullen zich willen profileren als scholen die zich bekommeren om de vervolgopleiding van hun leerlingen. OVO zal dan ook op 95 procent van de scholen worden aangeboden en een groot aantal daarvan zal OVO zelfs verplicht stellen. De zorg om studie en beroep na het voortgezet onderwijs is ook terug te vinden in de module 'Oriëntatie op Studie en Beroep', die een vast onderdeel van elk vak wordt en zal ingaan op de maatschappelijke context waarbinnen een vak zich beweegt. Wat kan je in de praktijk met het vak doen, is eigenlijk de vraag waarop de docent antwoord moet geven. Dat betekent dat bij Frans niet alleen leven en werken van Rabelais, Molière en Hugo aan bod komen. Frans is ook een belangrijke voertaal van de Europese Unie - wellicht een boeiende werkkring voor degene die in de Franse taal en Europa is geïnteresseerd en dan Europese Studies als vervolgopleiding zou kunnen kiezen.

De tweede fase gaat expliciet aandacht schenken aan de voorbereiding op het vervolgonderwijs in HBO en WO. En dat is hard nodig ook, want bij de aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs is de afgelopen jaren nogal wat mis gegaan.

“Dertig procent van de leerlingen in het voortgezet onderwijs kiest een verkeerde vervolgopleiding”, zegt Roel van Asselt, coördinator van het LICA, het Landelijk Informatiecentrum Aansluiting VO/HBO. Dat komt onder meer doordat beide onderwijstypes weinig weet van elkaars onderwijscultuur hebben, meent hij. Grote verschillen kunnen er daardoor optreden in de aanpak van vergelijkbare thema's op Havo en HBO of VWO en WO, waardoor nieuwbakken studenten soms moeilijk kunnen voortbouwen op hun kennis. Leerlingen in het voortgezet onderwijs moeten een beetje student worden - inclusief zelfstandigheid en zelfredzaamheid in het studiehuis - en in het hoger onderwijs zouden ze ook wel eens wat meer notie kunnen hebben van wat zich afspeelt in de scholengemeenschap om de hoek, vindt Van Asselt.

Daarin gaat verandering komen. Er zal een grotere samenwerking ontstaan tussen voortgezet en hoger onderwijs, waarbij Van Asselt een culturele versmelting tussen beide onderwijstypes voor ogen staat die de aansluiting op het hoger onderwijs zal bevorderen. Zo zal een van de drie modules binnen het vak OVO, de module waarbij leerlingen kennismaken met een vervolgopleiding, worden gedoceerd met behulp van leerkrachten uit het hoger onderwijs, die dan meteen kennisnemen van het voortgezet onderwijs.

De bevordering van de aansluiting op het hoger onderwijs is niet alleen een kwestie van gedegen voorbereiding. Havo en VWO worden ook gewoon moeilijker, want examenkandidaten moeten meer weten: er komen meer (en soms nieuwe) vakken en er valt minder te kiezen. Vier talen, aardrijkskunde en geschiedenis - het pretpakket bij uitstek op de Havo - behoort dadelijk tot het verleden. Zelf samen te stellen vakkenpakketten worden vervangen door vaststaande profielen, zeg maar 'afstudeerrichtingen': cultuur en maatschappij, economie en maatschappij, natuur en techniek en natuur en gezondheid. Na het derde leerjaar moet elke leerling een profiel kiezen.

“De profielen zijn een goed idee”, zegt dr. Uulkje de Jong, verbonden aan het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. De Jong doet onderzoek naar de succes- en keuzefactoren van jongeren in het hoger onderwijs. Ze heeft de afgelopen drie jaar onderzoek gedaan onder vierduizend studenten in HBO en WO die in 1995 aan hun studie begonnen. Studenten die in het voorafgaande middelbaar onderwijs toevallig wèl of juist niet een vakkenpakket hadden dat overeenkomt met de nieuwe profielen. De Jong: “Gebleken is dat studenten die op de middelbare school geen profiel hadden - veel vaker meisjes dan jongens - een minder grote kans hebben om de propedeuse te halen. Ook bleken studenten die het voortgezet onderwijs zonder profiel, maar met een rommelig, onsamenhangend pakket hadden afgesloten, sowieso al vaak een problematische schoolloopbaan met veel zittenblijven achter de rug te hebben.” Voor zulke leerlingen vindt De Jong het een uitkomst dat ze nu gedwongen worden een profiel te kiezen, hoewel ze wel bang is dat juist deze scholieren het relatief gemakkelijke profiel cultuur en maatschappij kiezen. “Dat kan gemakkelijk een vergaarbak worden voor kneusjes.”

Voor veel opleidingen en studierichtingen zijn de instroomvoorwaarden niet eenduidig. “We kunnen met elk profiel uit de voeten”, zegt Willem Muste, directeur van een PABO in Groningen, waaraan je ongeacht het examenprofiel kunt beginnen. “De PABO gaat in de breedte, want we willen dat onderwijzers breed zijn opgeleid.” Maar een brede opleiding betekent op de PABO kennelijk ook een brede vooropleiding. De PABO is niet de enige opleiding waaraan je met verschillende profielen kunt beginnen: wie fiscale economie op de HEAO wil doen - waarvoor eigenlijk het profiel Economie en Maatschappij de geëigende opstap is - kan met de andere drie profielen eveneens terecht als er dan maar economie zit in de vrije ruimte. En wie in Delft de bètastudie Elektrotechniek wil volgen, kan daar, mits wis- en natuurkunde worden gekozen in de vrije ruimte, terecht met het alfaprofiel cultuur en maatschappij.

“Profielveredeling”, meent Van Asselt. “Iedereen is weer welkom en zo krijg je een merkwaardig vreemd volkje in je school. De heterogene instroom was nou juist het probleem dat we probeerden op te lossen. Voor decanen wordt het ook heel moeilijk om het keuzeproces goed te begeleiden wanneer opleidingen alle profielen accepteren.”

Ook De Jong gelooft niet dat de profielen in de praktijk zorgen voor een betere aansluiting op het hoger onderwijs. Het is een “uit idealisme begonnen discussie”, meent ze. Een discussie die uiteindelijk is gestrand op de grenzen van de markt. “Instellingen hebben weinig belang bij instroom met slechts één profiel. Ze willen studenten en moeten om hun marktpositie denken.”