EMU-adviezen: kritisch maar gelaten

De Euro-commissarissen in Brussel waren gisteren mild in hun advies over de muntunie, de bankiers in Frankfurt waren kritisch. De Nederlandsche Bank deed er nog een schepje bovenop. Maar uiteindelijk luiden alle oordelen: God zegene de greep.

FRANKFURT/ROTTERDAM, 26 MAART. De thans bereikte convergentie in Europa is nog “pril”. Er zijn “zorgen” over de vraag of de torenhoge Belgische overheidsschuldquote voldoende zal dalen, “alsmede over de bereikte budgettaire resultaten” van België. Wat betreft Italië zijn de zorgen zelfs “beduidend”, en zijn de nu bereikte reducties van het tekort en de schuld “zeer kwetsbaar”. Het advies van de Nederlandsche Bank aan het kabinet over de start van de Economische en Monetaire Unie in 1999 windt er geen doekjes om: in een flink deel van de elf landen die straks mee willen doen met de muntunie, is de noodzakelijke convergentie van economie en staatshuishouding niet klaar, zoals bedoeld in het Verdrag van Maastricht, maar staat nog in de kinderschoenen.

Het advies, dat gisteren openbaar werd gemaakt, is de overtreffende trap van het rapport waarin het Europese Monetaire Instituut (de voorloper van de Europese Centrale Bank) gisteren zijn beoordeling openbaarde van de mate waarin de economiën en overheidsfinanciën van de aspirant-EMU-landen elkaar afdoende zijn genaderd om zonder al te veel risico's de muntunie mee te kunnen beginnen. En het EMI-rapport is weer een overtreffende trap van het advies aan de Europese ministers van Financiën dat de Europese Commissie gisteren presenteerde, en waarin de elf EMU-aspiranten al vast werden omarmd.

Wie vanaf 1999 met de muntunie mogen meedoen, beslissen de regeringsleiders van de EU in het eerste weekeinde van mei. Daar zijn de rapporten van het EMI en de Europese Commissie voor bedoeld. Het advies van de Nederlandsche Bank is gevraagd door minister Zalm, om de regering tot steun te dienen bij het bepalen van de Nederlandse inzet voor 'mei'.

Dat het rapport van de Nederlandsche Bank harder en argwanender van toon is dan dat van het EMI, komt vooral door het karakterverschil. Het EMI-rapport is slechts een beoordeling, het DNB-rapport mondt uit in een advies. Daarmee heeft het de zelfde status als het advies dat de Duitse centrale bank, de Bundesbank, morgen aan de Duitse regering doet. Van het Bundesbank-rapport mag dan ook een zelfde toonzetting worden verwacht als dat van de Nederlandsche Bank.

EMI-president Duisenberg zei gisteren al dat de rapporten inhoudelijk niet erg van elkaar af zullen wijken; ze zijn gebaseerd op de zelfde informatie, en zowel president A. Wellink van De Nederlandsche Bank als Bundesbank-president Tietmeyer heeft de handtekening zowel onder het nationale als onder het EMI-rapport gezet. Anderzijds hebben de nationale centrale banken meer vrijheid van spreken. De president van de centrale bank van het zwaar bekritiseerde België, A. Verplaetse, heeft de laatste weken moeite gedaan om de toonzetting van deze kritiek in het EMI-rapport te matigen. Het is te hopen dat hij, of zijn opvolger (de naam van de Belgische minister van Financiën Maystadt circuleert), zich in de toekomst pan-Europeser zullen opstellen als zij in het bestuur van de Europese Centrale Bank het monetaire beleid mede bepalen.

Het verschil tussen het DNB- en het EMI-rapport zit hem dan ook in de details, en in de toon. Een aardig voorbeeld is dat het EMI-rapport in de tekst ingaat op eenmalige begrotingsingrepen waarmee de EU-landen in 1997 hebben geprobeerd onder de vereiste drie procent te krijgen. Die vermelding is diep verstopt in de detail-behandeling van de individuele lidstaten in het rapport en wordt gedaan op basis van “beschikbare bewijzen” - het is, in andere woorden, een minimale schatting.

In het DNB-rapport staan de zelfde gegevens, maar hier is overzichtelijk in een tabel vermeld welk land voor welk bedrag aan begrotingstrucs heeft toegepast. Verder gaat DNB niet, maar als die trucs worden meegerekend in een naar economische omvang gewogen begrotingscijfer voor de elf EMU-landen, dan blijkt dat zij gezamenlijk een begrotingstekort hadden van meer dan 3 procent in 1997, in plaats van 2,6 procent die uit de officiële cijfers kan worden berekend. Samen met een gemiddelde staatsschuld van 76,8 procent voor de elf landen, maakt dat duidelijk dat ook de Nederlandsche Bank mild is geweest in zijn beoordeling.

De toekomst zal de financiële consolidatie moeten brengen die er in 1997 al had moeten zijn in Europa. Vandaar dat het DNB-advies aan het kabinet-Kok zich richt op eisen voor de naaste en verdere toekomst. Kok zal er in mei op aan moeten dringen dat de EMU-landen ruimschoots eerder dan is afgesproken hun begrotingsplannen voor de eerstvolgende jaren al indienen. Bovendien moeten alle EMU-landen zich al in 1998 houden aan het Stabiliteitspact, dat onder meer verbiedt dat hun tekorten weer boven de 3 procent oplopen. Formeel gaat dat pact pas per 1999 in. Ook de Duitse regering zal dit overigens eisen.

DNB beveelt ook harde eisen aan, aan het adres van Italië en België, die er op neerkomen dat zij flinke begrotingsoverschotten moeten gaan voeren. Alle EMU-landen zullen moeten streven naar begrotingsevenwicht op de middellange termijn, conform het Stabiliteitspact. Of dat politiek allemaal uitvoerbaar is, daar spreekt de centrale bank zich uiteraard niet over uit. Politiek heeft tenslotte zijn eigen dynamiek: het DNB-advies wordt gericht aan een regering-Kok die het dit jaar met krachtige economische meewind zelfs klaarspeelt het tekort, volgens de jongste prognose van het centraal planbureau, op te laten lopen van 1,4 procent naar 2 procent. Nederland wordt, in de woorden van de Bank, dit jaar de enige EU-lidstaat waar het tekort oploopt. En ook dat is niet in de geest van de muntunie.