Droevig vioolspel

Eigenlijk was het allemaal de schuld van de viool geweest, en ik weet het nog zo goed omdat het op maandag gebeurde, de dag dat ik altijd naar school een schoon schort moest meebrengen.

We waren pas naar de Willebrordusstraat verhuisd en ik haalde Dientje Bender op, die een klas hoger zat en een eindje verder in dezelfde straat woonde. Zij was het enige meisje dat ik op mijn nieuwe school kende. Dientje's oudere zusje en de dochter van mijn moeders vriendin kwamen veel bij elkaar, zodat ik Dientje geregeld op verjaardagsfeestjes had ontmoet. Ook het echtpaar Bender staat mij nog levendig voor de geest. Zij waren in tegenstelling tot mijn ouders geen gewone artiesten maar echte kunstenaars. Zo gaf mevrouw Bender, die zich in lange, wijde gewaden van onbestemde kleur placht te kleden en op platte schoenen met gekruiste veters om haar enkels liep, niet alleen pianoles op de muziekschool maar ook recitals in de Doelen en Het Nut. Meneer Bender, wiens haar bijna tot zijn schouders reikte, stond bekend als vioolpedagoog die enkele begaafde leerlingen had. Hij droeg een zwarte foulard en een opvallende paarse steen aan zijn rechter ringvinger.

Die bewuste maandagmorgen - het was midden in de zomer en warm - zou ik op een vreemde manier met hem te maken krijgen. Juist toen ik bij de familie Bender op de stoep stond, verliet mevrouw gehaast het huis, mij toeroepend dat ik even op haar dochter moest wachten omdat het gezin zich verlaat had. Zij spoedde zich met fladderende rokken naar de tram, die haar naar de muziekschool in de Van der Duijnstraat zou brengen.

Met het opgerolde schort naast me zette ik me op een traptree in het schemerige portaal, waar mijn aandacht werd getrokken door het vioolspel dat vanuit de bovenetage tot in de gang doordrong. Ik had nog nooit iemand in zijn eentje en van zo dichtbij viool horen spelen, en hoe langer ik luisterde hoe meer het spel op de stem van een mens begon te lijken, van iemand die zich iets droevigs herinnerde, of vreselijke spijt van iets had, of tevergeefs naar iets verlangde. En hoewel het heel mooi klonk, werd ik er zo treurig van en voelde ik me zo alleen in het verlaten trapportaal dat ik blindelings wegvluchtte en in een opwelling van hevige behoefte aan mijn moeders nabijheid naar het begin van de Willebrordusstraat terugholde.

Zodra zij op mijn onstuimig bellen de deur van ons benedenhuis opende, sloeg ik mijn armen om haar heen en verborg mijn gezicht zwijgend in de vertrouwde geur van haar japon. Onder de uitroep wat ik in 's hemelsnaam kwam doen, maakte zij zich echter ongeduldig uit mijn omhelzing los en informeerde, zonder mijn antwoord af te wachten, waar ik mijn schone schort had gelaten. Geschrokken besefte ik dat ik het in het portaal had laten liggen, en plotseling vond ik dat ik me belachelijk had gedragen en was de neiging om haar over de viool en het droevige gevoel te vertellen verdwenen.

Na haar vermaning om het onmiddellijk te gaan halen holde ik weer naar Dientje's huis, en toen daar niemand op mijn alarmerend gebel reageerde, begreep ik dat zij en haar zusje allang weg waren en dat meneer Bender me tijdens het lesgeven niet hoorde, of dat hij niet gestoord wilde worden.

Omdat ik bang was op de nieuwe, strenge school te laat te komen, begon ik in paniek met de klep van de brievenbus te rammelen en luisterde met mijn oor tegen de deurpost of het enige uitwerking had. Inderdaad meende ik een vaag gerucht te horen; het klonk als een onderdrukt gefluister, maar dan gek genoeg van vlakbij. Neerhurkend duwde ik zenuwachtig de klep van de brievenbus omhoog en tuurde door de gleuf in het halfduistere portaal, waar tot mijn verbazing een paar broekspijpen zichtbaar werden, die met twee welgevormde, in lichte kousen gestoken benen waren verstrengeld.

Het merkwaardige was dat degenen aan wie de twee paar benen toebehoorden mijn aanwezigheid aan de andere kant van de deur geheel leken te negeren en roerloos in hun ongewone houding volhardden. Verontwaardigd schreeuwde ik dat ik mijn schort wilde hebben dat nog op de trap lag, waarop er beweging in de benen kwam. De deur week behoedzaam terug en terwijl ik me haastig oprichtte, verscheen er een hand die, aan de ring met de paarse steen te zien, van meneer Bender moest zijn. Het volgende moment werd mijn schort zonder commentaar naar buiten geworpen.

De echo van de schoolbel klonk nog na door de holle gangen toen ik de trappen oprende naar de bovenhal, waar de directrice, die opzij van de balustrade haar leerlingen placht op te wachten als de kapitein op de brug van zijn schip, al verdwenen bleek te zijn. In de klas waren de ogen van alle kinderen op mij gericht en moest ik natuurlijk bij het tafeltje van de juffrouw komen, die wilde weten waarom ik te laat was, wat ik onmogelijk kon uitleggen. Er zat niets anders op dan te zeggen dat ik mijn schort had vergeten, met het gevolg dat ik 's middags moest nablijven om vijftig strafregels 'Ik mag mijn schort niet vergeten' te schrijven. Dat kwam mij ook nog op een standje van mijn verontruste moeder te staan, die nooit heeft geweten hoe het schort weer in mijn bezit was gekomen.

Niet lang daarna hoorde ik dat Dientje's ouders gingen scheiden. Tien jaar later zag ik in Studio, het nieuwe theatertje aan de Pompenburgsingel, de film Der träumende Mund met Elisabeth Bergner, waarin ik verrast en ontroerd de vioolsolo herkende die ik op de traptree had gehoord als de stem van iemand die zich iets droevigs herinnerde.