Zuinigheid oorzaak 'probleem 2000'

Jong en oud moet worden ingezet om het millenniumprobleem weg te programmeren. Minister Wijers van Economische Zaken wil zowel informaticastudenten als vutters inzetten om miljarden regels programmacode en miljoenen chips te controleren en aan te passen. En dat is hard nodig. Nog zo'n 450 werkdagen scheiden ons van het jaar 2000, het jaar waarin de westerse wereld misschien wel ten onder gaat aan verouderde computerprogramma's die geen onderscheid kunnen maken tussen deze en de volgende eeuw.

Het is maar de vraag of bijvoorbeeld de gemeentelijke sociale diensten en het GAK op tijd hun informatiesystemen - waar honderdduizenden voor hun inkomen van afhankelijk zijn - millenniumproof hebben gemaakt. Ook ziekenhuizen en luchthavens zijn nog niet klaar voor het jaar 2000.

Het millenniumprobleem wordt wel een managementprobleem genoemd omdat in de hogere regionen van het bedrijfsleven nog vaak met onbegrip wordt gereageerd op het probleem. Deze houding, vaak ingegeven door technofobie en de angst voor onbeheersbare en peperdure automatiseringsprojecten, houdt niet alleen de oplossing voor het millenniumprobleem tegen, maar vormt ook de basis van het probleem.

In de jaren zestig en zeventig was het gebruikelijk een jaartal te programmeren in twee digits, omdat geheugenruimte in de computer schaars (duur) was. Niemand dacht toen dat banken, verzekeringsmaatschappijen, ziekenhuizen etc. deze systemen lang zouden gebruiken. Het tegendeel bleek het geval. Veel bedrijven draaien uit een verkeerd soort zuinigheid nog programma's uit de begintijd van de automatisering. Omdat er destijds veel geld is betaald voor informatiesystemen mogen ze niet worden vervangen maar moeten ze elk jaar worden opgelapt.

Een informatiesysteem mag, volgens deskundigen, in principe niet langer dan vijf jaar meegaan. Na vijf jaar is het zowel technisch als economisch versleten en is nieuwbouw goedkoper dan oplappen. Dat dit niet gebeurt, is te wijten aan het feit dat het in Nederland volkomen geaccepteerd is dat de meeste managers niets van informatietechnologie weten. Ook in de raad van bestuur van bedrijven zit doorgaans niemand die iets van computers weet. Wat men wel weet, is dat er veel geld gepompt is in computersystemen waarmee nog niet veel tastbaar resultaat is gehaald. Dat geld moeten we eerst maar eens terugverdienen voordat we systemen gaan vervangen, wordt in veel bedrijven gedacht.

Nederland is het land van de overlegstructuur. Ook tussen gebruikers en computersystemen moet consensus bestaan. Informatiesystemen worden dus aangepast aan de mensen die ermee werken. Dat lijkt wel mooi, maar het is ontzettend duur en bovendien levert deze aanpak geen gemakkelijker te bedienen systemen op. In plaats van een standaardpakket aan te schaffen laat een Nederlands bedrijf meestal software op maat maken. Dat is niet alleen duur, maatsoftware genereert ook hoge onderhoudskosten. De kosten kunnen immers niet over meerdere bedrijven worden omgeslagen zoals bij een standaardpakket.

Toen in 1994 bij softwarehuizen, de producenten van maatsystemen, en bedrijven, de opdrachtgevers voor deze systemen en oplapwerkzaamheden, voor het eerst over het 2000 probleem werd nagedacht had men simpelweg kunnen zeggen: 'Als een informatiesysteem slechts vijf jaar mee mag gaan, dan is er tot 1995 geen probleem.'

Tot 1996 was er eigenlijk nog geen probleem. Bedrijven en instellingen hadden nog volop de tijd om in de komende twee tot drie jaar op standaardsoftware over te stappen. Als de 20 miljard die het vermoedelijk gaat kosten om alle millenniumbugs in Nederland te repareren tijdig was aangewend om nieuwe systemen te bouwen was het jaar 2000 probleem niet ontstaan.

1 januari 1998 was het point of no return. De bestaande verouderde systemen moeten opgelapt worden en ontdaan van millenniumbugs, anders gaat het mis. Het is te laat om nieuwe systemen te bouwen.

Waarschijnlijk is het ook te laat om alle oude programma's te repareren, Wijers' optimistische plannen om duizenden computerdeskundigen voor dit schier ondoenlijke karwei aan te trekken ten spijt. Er moet worden gesleuteld aan decennia oude programma's die zijn geschreven in versies van 'talen' die niet meer ondersteund worden. Voor de meeste van deze programma's is geen documentatie beschikbaar en zijn geen compilers (vertaalprogramma's voor programmeertalen) meer voorhanden.

Bovendien schreeuwt de markt om informatietechnologen. Duizenden programmeurs en andere computerdeskundigen kunnen zo aan de slag om in de nieuwste talen websites of computerspelletjes te maken of om ervoor te zorgen dat de invoering van de euro goed verloopt - banen die pas afgestudeerden meer zullen aanspreken dan oude computersystemen millenniumbestendig te maken.