Voor Algerijnse kinderen is de wereld een chaos

Het leven van zeker 14.000 Algerijnse kinderen is ernstig ontwricht, doordat hun ouders zijn vermoord, vaak vóór hun ogen, door gruweldaden die ze hebben gezien, door de sfeer van angst waarin zij permanent leven. Dat zei gisteren de Algerijnse psychologe Fatima Karadja op een symposium in Den Haag.

Karadja is dezer dagen met een delegatie Algerijnse psychologen in Nederland om de hulp in te roepen van Nederlandse deskundigen. Algerije heeft niet genoeg psychologen en psychiaters om alle slachtoffers te helpen. Wilfried Bossier had eerder een vraaggesprek, over slachtoffers èn daders, met de psychologe in de vakantiekolonie in Sidi Ferdj bij Algiers, een van de plaatsen waar zij kinderen begeleidt. “Je kunt zelfs zeggen dat alle Algerijnen getraumatiseerd zijn. We zijn met zijn allen op zoek naar de beste manier om met wat ons overkomt in het reine te komen.”

SIDI FERDJ - In de speeltuin van de vakantiekolonie in Sidi Ferdj, 30 kilometer ten westen van de Algerijnse hoofdstad Algiers, zijn geen kinderen te bekennen. Het regent, en de kleurige schommels hangen er mistroostig bij. De grijze, druilerige dag zorgt voor een begrafenissfeer.

Die stemming is bijna toepasselijk: hier in dit centrum worden twee dagen per week kinderen begeleid die op de een of andere manier zijn getraumatiseerd door het gruwelijke geweld in Algerije. Het zijn de kinderen van Bentalha, Boufarik, Blida, Sidi Hamed - de dorpen en steden waar in de afgelopen jaren massale slachtpartijen zijn aangericht.

“Of die kinderen zelf hun ouders verloren hebben of niet speelt niet zozeer een rol, ze zijn allemaal geshockeerd, gestigmatiseerd”, zegt Fatima Karadja. Zij houdt zich als psychologe samen met een hele ploeg deskundigen bezig met kinderen die in moeilijkheden verkeren, hier in Sidi Ferdj en in haar centrum in El Biar, in het centrum van Algiers. De kinderen zelf zijn er vandaag niet: het is vakantie en ze zijn bij familie.

“Het is in Algerije een traditioneel gebruik om in gevallen van rouw bij de nabestaanden op bezoek te gaan en je medeleven te betuigen”, zegt Karadja, “ook al ken je de familie van de overledene helemaal niet. En van die sociale samenhang moeten we nu gebruik maken om al dat leed op te vangen en de schade te beperken. Het eerste wat we doen, is de slachtoffers thuis opzoeken, want alleen daar kom je tot een gevoel van intimiteit, van saamhorigheid. Gelukkig is dat bij ons nog iets vanzelfsprekends.”

“Hoe groot de schade is en hoe blijvend hangt af van hoe sterk een bepaald kind is, hoeveel weerstand het kan opbrengen en hoeveel steun het krijgt van de zijde van de nabestaanden”, zegt Karadja.

“Het milieu, de solidariteit die een kind krijgt uit de familiale en bredere sociale context is bepalend, ook als hun moeder en vader voor hun ogen vermoord zijn. Voor de verwerking van zo'n schok hebben die kinderen geen andere uitweg.”

“Wat zo buitengewoon is bij kinderen is dat zij, hoe spectaculair de gebeurtenissen en de wonden ook zijn, ook ongelooflijk spectaculair kunnen genezen, maar dat kan alleen op voorwaarde dat er op tijd opgetreden wordt en op een adequate wijze. We moeten voorkomen dat hun persoonlijkheid helemaal vernietigd, gedestructureerd wordt. Er moet een sociaal vangnet komen om de kinderen de weg te wijzen, de trauma's mogen niet zomaar voortwoekeren.”

“Als we niet ingrijpen krijgen we gevallen van posttraumatische neurose, zoals we die kennen bij de Amerikaanse Vietnamveteranen. Dergelijke neuroses komen niet noodzakelijk onmiddellijk klinisch tot uitdrukking, en ze kunnen op een spontane manier, ook jaren later ineens optreden. Het laatste waar we van gediend zijn is het vergeten. Je kunt zulke dingen niet vergeten. Het onderbewustzijn is ermee bezig, of je het wilt of niet. Maar we moeten ook niet toelaten dat al dat geweld voortdurend door de geest van de kinderen spookt.”

Het waren de onderwijzers in Bentalha en Raïs en andere Algerijnse dorpen waar verschrikkelijke bloedbaden zijn aangericht die als eersten aan de alarmbel hingen. “We stellen vast dat er bij de kinderen merkwaardige gedragingen optreden. Briljante leerlingen zijn nu zeer apathisch en functioneren niet in de klas. En hun tekeningen bijvoorbeeld wijzen erop dat zij volkomen van de kaart zijn en leven met de allesoverschaduwende angst dat het nog niet voorbij is, dat de aanvallers terug zullen komen. Bij iedere aanval in weer een ander dorp vallen zij terug, je ziet ze ineenkrimpen, totaal van streek raken, terwijl je dacht dat er al sprake was van een zeker herstel.”

“Uit de tekeningen blijkt duidelijk hoe chaotisch de kinderen de wereld zien en hoe zij zelf verloren zijn, zonder het minste houvast. Alles is versnipperd en verward, de mensen zonder ledematen. Je ziet overal verminkte en onthoofde lichamen liggen, onbeweeglijke lichamen en gezichten met wijd openstaande mond, grimassen en doodsangst, waar je ook kijkt.”

“Ze reproduceren wat ze hebben beleefd, waar ze van wakker liggen en van dromen, of ze verdringen alles. In het werk van sommige kinderen zie je namelijk alleen bloemen en vlinders, alles is mooi en vreedzaam. Meestal zijn deze kinderen er het ergst aan toe. Hier is het risico van decompensatie en zelfs een fatale aantasting van de persoonlijkheid, een psychose zeer groot.”

Het gaat niet om enkele kinderen, maar om talloze gevallen. “Je kunt zelfs zeggen dat alle Algerijnen getraumatiseerd zijn. Je moet de kinderen niet als een losstaande categorie zien. We zijn met zijn allen op zoek naar de beste manier om met wat er ons overkomt in het reine te komen. Dat moet collectief gebeuren. We vinden alleen samen, met zijn allen, een therapie.”