Lyrische en intense debuutfilm

De Poolse bruid. Regie: Karim Traïdia. Met: Jaap Spijkers, Monic Hendrickx, Roef Ragas, Rudi Falkenhagen, Hakim Traïdia. In: 7 theaters.

Van de vier films die tijdens het afgelopen International Filmfestival Rotterdam in première gingen onder de verzameltitel Route 2000 bleek Karim Traïdia's De Poolse bruid verreweg het meest succesvol. Niet alleen won de film verrassend de Citroën Publieksprijs, maar ook internationaal bleek er veel belangstelling van andere festivals. Motel Films en de VPRO, de initiatiefnemers van het kwartet low-budgetfilms over Nederland aan het einde van het millennium, willen De Poolse bruid in het buitenland liefst alleen aanbieden in een pakket met Paula van der Oests De trip van Teetje (in februari al in de Nederlandse bioscoop uitgebracht), Mart Dominicus' ƒ 19,99 en Boris Paval Conens Temmink. De reden dat De Poolse bruid eruit springt is de kracht van de eenvoud.

De in Algerije geboren Traïdia, die niet eerder een lange film regisseerde, bewijst weer eens de stelling dat juist in een specifieke geografische locatie gewortelde films de grootste kans maken op universele herkenbaarheid. Het Groningse platteland met zijn felblauwe luchten en lage horizon vormt een niet eerder in een speelfilm vastgelegd decor voor een simpele vertelling, zonder veel woorden. Henk (Jaap Spijkers) woont er alleen op een boerderij, hem nagelaten door zijn vader. Er zijn schulden en Henk begrijpt dat de bank geen Sinterklaas is: “Maar ik vraag toch niet om pepernoten, is het wel?” roept hij woedend in de telefoon, zo'n grijs-wit wandmodel van de nog lang niet geprivatiseerde PTT. Misschien wel juist omdat hij niet in Nederland geboren is, schildert Traïdia met liefde en precisie oernederlandse objecten, zinnetjes en gebaren. Nooit eerder zag ik zo treffend het beeld van het woedend, met korte rukjes smeren van een boterham met margarine. Of het antwoord op de flemende dreiging van een ongewenste bezoeker aan de deur (Roef Ragas): een eenvoudig fluitje voor de hond, die langs de bezoeker Henk mee volgt naar binnen.

Traïdia en zijn cameraman Jacques Laureys hebben ook oog voor de lyriek van het landschap, dat een enkele keer (close-up van wapperend wasgoed en vrouw met hoofddoekje om) bijna aan de woestijn doet denken. Ze laten zich graag bijstaan op de geluidsband door de ballade over het Hogeland van de Groningse, te vroeg gestorven bard Ede Staal, die de film zijn Leitmotiv meegeeft. Aan Staals idioom is ook wellicht de poëtische ontboezeming van Spijkers ontleend, dat de sneeuw het Hogeland 's winters in een bruidskleed steekt.

De voor haar pooiers weggelopen Poolse Anna (Monic Hendrickx), die bij toeval op de boerderij belandt, is namelijk strikt genomen geen bruid, al verwijst haar verzorgende gedrag wel naar de droom van menige alleenstaande Nederlandse man naar een volgzame postorderbruid uit Oost-Europa. In werkelijkheid voeren Anna en Henk een subtiel gevecht om het manifesteren van affectie, die lang verhuld blijft in kleine handelingen en korte zinnetjes: Henk praat niet graag, Anna kent alleen maar frasen uit een Nederlands conversatieboekje.

De Poolse bruid is om dat soort redenen vooral een regisseurs- en een acteursfilm. Het gaat om soms nauwelijks waarneembare subtiliteiten, niet om het verhaal, dat wil dat de pooiers Anna's weglopen niet verdragen, Henk zijn boerderij kwijt dreigt te raken en een dochter in Polen ook om aandacht vraagt. De eveneens debuterende scenarioschrijver van De Poolse bruid, Kees van der Hulst, was het niet eens met de verfilming van zijn scenario en distantieert zich op de eindcredits van het resultaat. Ook zonder zijn scenario te hebben gelezen, lijkt me dat geen verstandige beslissing. De kracht van de film zit namelijk in enscenering, vormgeving en gevoel, en de wat schimmige en onwaarschijnlijke afwerking van het verhaal is eigenlijk het zwakste punt van een overigens bewonderenswaardige en moedige kleine film. Nu het goed lijkt te gaan met de internationale waardering voor grote Nederlandse producties als Karakter en Left Luggage, is het prettig te constateren dat er ook groei zit in de kwaliteit van kleine auteursfilms met een typisch Nederlands karakter. Hendrickx, Spijkers en Traïdia kunnen nu al verzekerd zijn van nominaties voor de Gouden Kalveren op het komende Nederlands Filmfestival, ook al wordt het daar dit jaar dringen om de prijzen.