Kinderopvang; Peuter op de wachtlijst gaat zolang wel naar de buren

De meeste Nederlandse ouders improviseren kinderopvang bij buren, gastouders, vrienden en familie of nemen een oppas in huis. De afgelopen jaren is het aantal opvangplaatsen nauwelijks gegroeid.

Dit is het eerste deel van een korte serie over opvang van peuters.

DEN HAAG, 25 MAART. Rond half negen is het spitsuur in de speelzaal voor de drie en vier-jarigen van het Haagse kinderdagverblijf Pierre. Ouders vliegen in en uit, kinderen worden uit jasjes geholpen en rennen naar hun leeftijdgenootjes. “Kijk, ik heb een sleep-dinges gemaakt”, meldt Robin. “Om dingen mee te slepen.” Een verdieping lager liggen de eerste baby's alweer te slapen.

Kinderen van werkende ouders die gebruik maken van professionele kinderopvang horen in Nederland tot een selecte groep. Slechts acht procent van het aantal kinderen dat in aanmerking komt maakt kans op een plaatsje bij een crèche of gastouder. In Denemarken en Zweden is de beschikbaarheid respectievelijk 48 en 33 procent, in België en Frankrijk 30 en 23 procent. In Nederland staan zo'n zestigduizend kinderen tussen de nul en vier jaar staan op de wachtlijsten van de opvangvoorzieningen, slechts 120.000 kinderen kunnen er terecht. “Er komen hier mensen die zeggen: 'Wij gaan binnenkort met vakantie en dan proberen we zwanger te raken. Kunnen we ons nu al inschrijven?”', zegt Myra Taubman, leidster bij Pierre. “Dat kan natuurlijk niet, de wachtlijsten zijn al zo lang.”

Het aanbod van kinderopvang in Nederland is bovendien een onoverzichtelijke lappendeken van honderden stichtingen en andere kleine en grote organisaties. Sommige ouders schrijven hun baby of peuter voor de zekerheid meer dan eens in. Anderen nemen volgens T. Offermans, directeur van stichting Kinderopvang Humanitas uit Heerlen, gezien de krapte niet eens de moeite hun kind op een wachtlijst te plaatsen. Naar schatting 500.000 kinderen worden opgevangen door buurvrouwen , ooms, tantes, opa's en oma's. “Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van die ouders eigenlijk liever officiële kinderopvang wil”, zegt Offermans. “Meer professionaliteit en continuïteit zijn daarvoor de belangrijkste redenen.”

Minister Melkert (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft voor de komende kabinetsperiode een verdubbeling van het aantal opvangplaatsen beloofd. Kosten: 400 miljoen gulden. Maar Melkert spreekt vooral als PvdA-politicus. Toename van het aantal kinderopvangplaatsen is electoraal aantrekkelijk en de sociaal-democraten zetten er vol op in.

Tijdens de huidige kabinetsperiode is het aantal opvangplaatsen echter maar mondjesmaat gegroeid. Volgens de VOG, de werkgeversinstelling waarbij de meeste kinderopvangorganisaties zijn aangesloten, is de groei vanaf 1995 blijven steken omdat de stimuleringsmaatregelen van het rijk toen ophielden en de opvang toeviel aan de gemeenten. De groei die er is komt volgens de VOG voor rekening van de werkgevers. Voor de komende jaren heeft minister Melkert 160 miljoen gulden uitgetrokken om 20.000 extra plaatsen te creëren.

Melkert richt zich op kinderopvang, die eigenlijk thuishoort op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) omdat het gebrek eraan de arbeidsmarkt parten speelt. Veel vrouwen kiezen nog altijd vaak voor zorg in plaats van werk. Gezien de vergrijzing moeten zoveel mogelijk mensen die kùnnen werken ook werken, anders moeten veel te weinig werkenden binnenkort de belastingen en sociale premies opbrengen voor veel te veel niet-werkenden. Vooral in de onderste regionen van de arbeidsmarkt worden moeders nog niet bepaald gestimuleerd een baan te accepteren. Een moeder die het minimumloon of iets meer gaat verdienen, kan meteen ruim de helft van haar nieuw verworven inkomen naar de kinderopvang brengen. Voor een werkgever is ze bovendien weinig aantrekkelijk. Die moet voor een laag betaalde werknemer een grotere bijdrage aan kinderopvangkosten betalen dan voor een goed betaalde, die meer zelf bijdraagt.

Het zijn vooral ouders met een hoog inkomen die hun kind laten opvangen door professionelen, zegt coördinator Thecla de Vent van de Belangenorganisatie voor Ouders in de Kinderopvang (BOinK). “De overheid moet met meer geld over de brug komen om het ook voor de lagere inkomens aantrekkelijk te maken”, stelt zij. Een aantal ouders profiteert van een bedrijfscrèche of gedeeltelijk door de werkgever betaalde opvangplaats. De twee meisjes (“eentje van drie en een kleintje van zeven maanden”) van Leontien van Bilsen verblijven twee dagen per week op het Haagse dagverblijf Pierre. Van Bilsen en haar man hebben niet lang hoeven wachten: “De baas van mijn man heeft een bedrijfsplaats voor ons geregeld, we hadden geluk.”

Het aantal bedrijfsplaatsen is de afgelopen jaren sterk gestegen en bedraagt volgens de VOG nu 32.000 van het totaal van 75.000 plaatsen. Werkgevers betalen daarmee een kwart van de kosten van de kinderopvang. Van de in totaal ruim één miljard gulden die daarin jaarlijks omgaan betalen de ouders het grootste deel, ruim veertig procent. De overheid neemt eenderde voor haar rekening. Nu er kraptes op de arbeidsmarkt ontstaan en werkgevers er bij gebaat zijn hun personeel vast te houden, gaan steeds meer stemmen op om het bedrijfsleven een grotere bijdrage te laten betalen. Volgens de stichting Uitvoering Kinderopvangsregelingen (SUK) in Utrecht is het ogenschijnlijke tekort aan plaatsen vaak “een kwestie van geld”. “Als een bedrijf veel geld ter beschikking stelt voor kinderopvang, dan kunnen wij over het algemeen snel zaken doen,” aldus een woordvoerder. “Het is booming business”, zegt hij tevreden.

Volgens De Vent van BOinK voegt kinderopvang ook iets toe aan de opvoeding van de kinderen. “Kinderen die bij kinderopvangcentra hebben gezeten zijn over het algemeen socialer dan anderen. Ze zijn mondiger, kunnen beter in groepen functioneren. Ouders brengen hun kinderen vaak ook om die reden naar een peuterspeelzaal.” Maar dat kinderopvangcentra een groot deel van de opvoeding van het kind overnemen vindt ze onzin. “De ouders blijven altijd eindverantwoordelijke voor de opvoeding van het kind.”