In de bibliotheek

Soms overkomt het de heer Kortom dat hij iets te gelukkig is. De zaken gaan goed. Het leven verkrijgt een sierlijkheid die er van nature niet bij hoort. De heer Kortom wedervaart iets van een grotere lichtheid.

Als zijn staat van geluk zou voortduren ging hij op den duur misschien zweven. Wie weet zelfs het luchtruim kiezen? Nee, dat niet. Want daarvoor is kracht vereist. En die kracht is het nu juist die hem geleidelijk ontvliedt wanneer hij te gelukkig wordt. Want als hij te gelukkig wordt, slaat de slapeloosheid toe. Of hij wil of niet, zo is dat met slapeloosheid, hij kan de slaap niet meer vatten. Of liever, de slaap krijgt hem niet meer te pakken. Blijkbaar biedt zijn geest, die nog wil nagenieten van de overdosis geluk, verzet. De heer Kortom zou willen dat het de volgende dag al was, in plaats van de nacht daaraan voorafgaand. Hoe dan ook, de heer Kortom wordt een klein beetje uitgehold. En door die uitholling die hij naar zijn gevoel net niet helemaal in de hand heeft, zelf, wordt hij ook een tikkeltje ontremd. Of verstrooid. Hoe het te noemen, dat hij de dingen weliswaar gemakkelijker en sneller doet, maar al doende erg veel vergeet? Waardoor hij vaak op zijn schreden terug dient te keren. En zodoende de gewonnen tijd weer verliest. Neem het geval van het bibliotheekboek dat teruggebracht diende te worden. De heer Kortom ging het boek terugbrengen; zelfs bijna op tijd. Dat was heel daadkrachtig van hem. Maar hij was wel erg verstrooid. Hij was zichzelf en zijn bescheiden taak bijna te vlug af. Daar beende hij al naar binnen. Hij liep meteen door naar de kluisjes.

Want met een tas mocht je de bibliotheek niet in. Dus haalde de heer Kortom het terug te brengen boek uit zijn tas en legde het voor korte tijd boven op de grijsstalen muur van kluisjes. Hij deponeerde tas en jas in een kluisje en zocht naar de losse gulden die hij niet bij zich had. Het hoorde bij zijn huidige al te grote daadkracht dat hij wel een elektronisch pasje maar geen portemonnee of kleingeld bij zich had. Hij nam jas en tas weer uit de kluis en liep terug naar de ingang waar een zwarte portier zat die een paardenstaart droeg. Hij legde zijn geval voor en vernam tot zijn grote opluchting dat hem tegen inlevering van bijvoorbeeld zijn fietssleuteltje een gulden geleend zou kunnen worden. Zijn naam schreef de portier op een eigenhandig afgescheurd papiertje dat hij afdoende aan het sleuteltje bevestigde. Met verende pas ging de heer Kortom nu eindelijk naar binnen door de tourniquet. Weldra echter keerde hij op zijn schreden terug om zijn boek op te halen, dat boven op de kluizenmuur was blijven liggen. Iets te haastig wrong hij zich bij zijn hernieuwde entree langs een oudere heer die hem niet weinig knorrig tot de orde riep. Hij vervoegde zich aan de balie en leverde zijn boek in. Dat was, zoals gezegd, een dag te laat. Hetgeen hem te staan kwam op een boete van een dubbeltje. Met de situatie verlegen bood de heer

Kortom aan om de boete met behulp van zijn elektronische pasje te voldoen. Zich gelukkig prijzend dat hij het bij zich had haalde hij het reeds voor de dag. Met een glimlach werd hem zijn boete kwijtgescholden. Haastig liep de heer Kortom rond de lange u-vormige balie tot hij de uitgang en de kluizen weer bereikt had. Hij stak het sleuteltje in zijn kluisje en nam zijn tas en jas eruit. Hij trok zijn jas aan, hing de nu lege tas aan zijn schouder en begaf zich naar de zwarte portier met de paardenstaart. Hij noemde zijn door de portier reeds vergeten naam. De portier pakte het papiertje met het sleuteltje en stak het hem toe terwijl hij tegelijkertijd zijn andere hand geopend voor hem hield. Eerst begreep de heer Kortom hem zelfs niet. Maar natuurlijk: de geleende gulden. Weer beende hij terug naar de kluis, waar het vakje - waarin het muntstuk zonder dat hij erop attent was geweest teruggevallen was - zojuist geleegd moest zijn door iemand met een groter tegenwoordigheid van geest. Beteuterd stond hij andermaal voor de zwarte portier met de paardenstaart. Met het gevoel een dakloze te zijn die een wat doorzichtige truc had uitgedacht om de bibliotheek een piek lichter te maken. Grote god, daarnet ging het om een dubbeltje; nu om een gulden. Maar een klein beetje trots was hij ook wel. Want wanneer de nood aan de man kwam zou hij het, als de halve zool die hij vandaag zonder enige inspanning wist te wezen, nog een heel eind kunnen schoppen.