Het gewicht van 2,5 miljard euromunten

De voorbereidingen voor de productie van euro's zijn in volle gang. Er zijn zorgen over productieverhoging, herkenbaarheid en de beveiligingskenmerken van de munten en biljetten. En welke opslagplaats is bestand tegen het gewicht van 2,5 miljard munten?

Aan het Merwedekanaal in Utrecht en op het Haarlemse industrieterrein Waarderpolder staan de geldfabrieken van Nederland. Respectievelijk De Nederlandse Munt en bankbiljettendrukkerij Joh. Enschedé en Zonen maken zich daar op voor drie drukke jaren. Volgend jaar wordt de euro in het girale betalingsverkeer ingevoerd. In 2002 komen de euromunten en -bankbiljetten in omloop. Nederland behoort tot de elf landen die aan de Economische en Monetaire Unie gaan deelnemen en hun nationale valuta zullen vervangen.

Volgens plan starten de geldfabrieken in Utrecht en Haarlem begin volgend jaar met de productie van de euro's. Drie jaar later moeten er voldoende van klaar zijn om de hele geldvoorraad in guldens te vervangen. In zijn stijlvolle kantoor uit het begin van deze eeuw rekent muntmeester Chris van Draanen voor met hoeveel de Munt de productie moet opschroeven om in 2002 voldoende euro's in voorraad te hebben. Volgens Van Draanen zullen er uiteindelijk minimaal 3 miljard euromunten in Nederland in omloop zijn. Als daarvan in 2002 niet op z'n minst 2,5 miljard stuks klaar zijn, treden er problemen op in het betalingsverkeer.

Tussen 1999 en 2002 moet de Nederlandse Munt dus jaarlijks ruim 830 miljoen euromunten slaan. “Extra”, benadrukt Van Draanen. “Want de normale productie van guldens, buitenlands muntgeld en penningen gaat door.” Het is een zorgwekkend sommetje: de totale productie moet stijgen van 250 miljoen naar bijna 1,1 miljard stuks. Een ruime verviervoudiging.

Van Draanen zegt er rustig onder te blijven. Hij is ervan overtuigd dat de Munt de opdracht aankan. “Onlangs hebben we nieuwe machines besteld. Daarnaast werven we vijftien man extra personeel en vanaf volgend jaar wordt er in tweeploegendiensten gewerkt.”

Ook de Haarlemse moneymakers worden niet warm of koud van de noodzakelijke productieverhoging. In de museumkamer van Joh. Enschedé leunen algemeen directeur Kees Bruinstroop en directeur van de bankbiljettendrukkerij Johan Slinger ontspannen achterover in hun stoel. De drukkerij, die in 1703 werd opgericht en nog altijd een familiebedrijf is, drukt sinds het begin van de negentiende eeuw de Nederlandse bankbiljetten. Aan de totale omzet van 160 miljoen draagt de biljettendivisie ongeveer 30 miljoen bij.

In Nederland zullen zo'n 380 miljoen bankbiljetten moeten worden vervangen; een jaarlijkse extra productie van ruim 120 miljoen. Op de totale bankbiljettenproductie (Nederlandse èn buitenlandse) betekent dat nog geen verdubbeling. Dat levert volgens de directeuren geen problemen op. “Als wij onze topcapaciteit benutten, drukken wij er 600 miljoen per jaar.”

Groter zijn de zorgen rond de veiligheid. De geproduceerde munten en biljetten komen pas in 2002 in circulatie. Wat gebeurt er zolang met de voorraden?

Bij biljetten gaat het om beheersbare volumes. De waarden zijn hoog (5 tot 500 euro) en het gewicht is laag. Voor munten geldt dat net andersom, en daarom is de opslag een groter probleem. De Nederlandsche Bank zal de eurobiljetten voorlopig opslaan in de eigen kluis aan het Amsterdamse Frederiksplein. Muntmeester Van Draanen is betrokken bij het zoeken naar een geschikte plek voor de euromunten. Die is echter nog niet gevonden. “Oude kazernes bleken ongeschikt. We hoorden regelmatig verhalen over wapens die uit militaire depots werden gestolen.” Bovendien zijn van weinig bestaande gebouwen de fundamenten bedacht op het gewicht van de honderden miljoenen munten. Nieuwbouw van een opslag- en distributiecentrum is misschien de enige oplossing.

Ook over de technische specificaties bestaat nog enige zorg. Vorige maand beweerde het Europese samenwerkingsverband van automatenexploitanten EVA dat sigarettenautomaten, parkeermeters, flipperkasten en telefooncellen geen onderscheid kunnen maken tussen de munten van 20 en 50 eurocent. “Dwaasheid”, zegt Van Draanen. “Er bestaat een hemelsbreed verschil tussen.” Van hobbyisten die ringetjes produceren, waarmee ze van 20 eurocent een munt maken die automaten herkennen als 50 eurocent ligt Van Draanen niet wakker. “Dat gebeurt nu ook. Ik kan wel sympathie opbrengen voor die inventiviteit, zolang het niet de spuigaten uitloopt.”

Van Draanen neemt zorgwekkende berichten in de media met een korrel zout. “Lees ze maar als de Story of Privé. Prachtige verhalen, maar ze staan de euro niet in de weg. Die komt er gewoon.” Theatraal gooit hij twee mappen op tafel met tientallen internationale munten, die qua afmeting en gewicht overeenkomen met de gulden. De Munt zuivert ze uit de voorraden van de automatenindustrie. “Hierover zouden ze zich zorgen moeten maken”, betoogt Van Draanen. Volgens de muntmeester hebben de exploitanten de problemen gedeeltelijk aan zichzelf te wijten. “Er zijn zeer geavanceerde, elektronische muntselectoren in de handel, maar de automatenindustrie installeert liever goedkope varianten.” Die halen de look-a-likes er niet uit.

Van Nederlandse munten kan Van Draanen garanderen dat ze allemaal een vrijwel gelijke diameter, dikte, gewicht en legering hebben. Ook voor de euro gaan maximale afwijkingen gelden. De voorgestelde afwijkingen zijn maximaal plus of min 0,05 millimeter voor de diameter; en voor het gewicht maximaal 4,5 procent voor de kleine munten en 3 procent voor de munten van een en twee euro. De productie in verschillende Europese landen maakt het toezicht op de afwijkingen niet eenvoudig, zegt Van Draanen. Een miniem gewichtsverschil met een Nederlandse euro, en een Spaans exemplaar wordt geweigerd door een streng selecterende automaat.

De Europese schaal van de geldproductie en de moeizame verhouding tot de kwaliteitseisen houdt ook de bankbiljettendrukkers bezig. De Nederlandsche Bank en Joh. Enschedé hebben zich er altijd op voorgestaan dat 'hun' biljetten heel moeilijk zijn na te maken. Maar niet alle Europese drukkerijen kunnen technisch de modernste beveiligingskenmerken aan. Het aanbrengen van het zogenoemde kinegram, de metallic stip op de nieuwe Nederlandse bijetten van tien, honderd en duizend gulden lukt niet bij iedereen. “Het gevaar bestond dat we met zijn allen op het niveau van de 'slechtste' biljettenproducent gingen zitten.” Volgens Bruinstroop en Slinger is dat niet gebeurd, maar ze erkennen wel dat er noodzakelijkerwijs compromissen zijn gesloten. Hoewel het eurobiljet niet alle topfeatures kent die Enschedé er in zou kunnen aanbrengen wordt het een goed biljet, benadrukken de directeuren.

Begin februari sloten de Europese centrale banken een akkoord over de veiligheidskenmerken. Welke dat precies zijn willen de Enschedé-directeuren niet kwijt. Komende maanden produceren alle deelnemende drukkerijen drukproeven voor de eurobiljetten. Nederland maakt (samen met Frankrijk en Engeland) proeven voor het 10-eurobiljet, en (samen met Spanje) proeven voor het 200-eurobiljet. Het is overigens waarschijnlijk dat vervolgens elk land zijn eigen behoefte aan eurobiljetten, in alle denominaties, zelf gaat drukken.

Buiten de extra inspanningen die de Munt en Joh. Enschedé zich moeten getroosten voor de productie, distributie, opslag en uiterlijke kenmerken van de nieuwe munt, zien de ondernemingen ook kansen voor de toekomst. In Europees verband is afgesproken dat de productie van de nieuwe munt evenredig over de landen zal worden verspreid. Bruinstroop en Slinger achten het niet ondenkbaar dat er op (lange) termijn een Europese aanbesteding komt, zoals bij veel andere EU-projecten. Degenen die het gevraagde product voor de laagste prijs kunnen produceren, krijgen de opdracht.

Problematisch is echter de status van de Europese bankbiljettendrukkers. Het zijn in de meeste landen staatsondernemingen. Doordat hun kosten voor een deel door de overheid worden gedragen hoeven zij die niet door te berekenen in de prijs. Daartegen kan Joh. Enschedé niet concurreren. Bruinstroop en Slinger verwachten overigens dat Europees Commissaris Van Miert (Mededinging) een stokje zal steken voor oneerlijke concurrentie. “In veel landen worden de drukkerijen inmiddels al verzelfstandigd.”

Enschedé denkt in de concurrentiestrijd een goed figuur te kunnen slaan. “De meeste oude staatsdrukkerijen hebben nooit concurrerend hoeven produceren. Zij hebben nauwelijks ervaring met het minimaliseren van hun kosten.”