Haat tegen burgerlijkheid; Oostenrijkse kunstwereld verdeeld over Otto Mühl

Sinds kunstenaar Otto Mühl, veroordeeld wegens verkrachting van minderjarigen, weer vrij is, is hij een gevierd man in een deel van de Oostenrijkse kunstwereld. 'Zou het kunnen dat Mühl de geheime verlangens van deze mannen heeft gerealiseerd?' vragen tegenstanders zich af.

WENEN, 25 MAART. Wenen is na het optreden van kunstenaar Otto Mühl (73) in het Burgtheater op 11 februari nog steeds niet tot rust gekomen. Mühl, die samen met Hermann Nitsch en Günter Brus dertig jaar geleden het actionisme - kunst waarbij lichamen met bloed, urine en verf werden beklad - uitvond, kwam in december vrij na zeven jaar gevangenis voor verkrachting van minderjarigen. Sindsdien presenteren oude vrienden als Burgtheaterdirecteur Claus Peymann, schrijver Peter Turrini en regisseur Einar Schleef hem als slachtoffer van de burgerlijke justitie en dat heeft een golf van verontwaardiging in Oostenrijk ontketend. Ook Peter Noever, directeur van het Museum für angewandte Kunst (MAK) wordt scherp bekritiseerd. Hij organiseerde de tentoonstelling Mühl 7, een toespeling op de zeven jaar gevangenis, die geheel in het teken van Mühls rehabilitatie staat. De schilderijen die Mühl in de gevangenis maakte worden begeleid door een videoprogramma waarin Mühl als baanbrekend kunstenaar wordt neergezet. De eerste schilderijen die Mühl in de gevangenis maakte, verbeeldden zijn haat tegenover de burgerlijke justitie maar al snel was hij bij zijn enige obsessie terug: druipende penissen en vagina's.

De fascinatie van de antifascistische avant-garde voor bloed en faeces manifesteerde zich in 1968 voor het eerst. Naakte studenten lieten, staande op de katheder, hun ontlasting de vrije loop - een actie die als revolutionair werd beschouwd. Het was de doorbraak van Otto Mühl. Hoe een typische Mühl-actie verliep, beschrijft de Duitse filmer Jörg Siegert: “Mühl legde een naakt meisje om zijn hals en kreeg iemand uit het publiek zo ver dat-ie het meisje met een blokfluit penetreerde. Mühl kon mensen tot zulke dingen overhalen, hij had een geweldige persoonlijkheid. Het einde van die actie was heftig. Hij bond mijn vriendin vast, bekogelde haar met rauw vlees en meel en ten slotte urineerde hij op haar. Zij speelde mee en gilde van de pijn. Wij waren gefascineerd. Het is heus niet makkelijk om onder zulke omstandigheden te plassen, maar Mühl draaide daar zijn hand niet voor om.”

Aan het begin van de jaren zeventig trok Mühl zich terug op het platteland.Samen met volgelingen richtte hij de commune Friedrichshof op. Het regime was daar van meet af aan totalitair. Emotionele relaties tussen leden waren verboden, wel moest iedereen voortdurend seks hebben. Twee keer per dag kwamen de leden bijeen om op te biechten wat ze fout hadden gedaan of gedacht of om anderen te verklikken. De bij deze gelegenheid afgestrafte leden zakten onmiddellijk in de hiërarchie die dagelijks met naamkaartjes op een prikbord werd vastgesteld. Mühl beschikte als onbetwiste leider over een harem en een 'Eerste Vrouw'. Commune-lid Andreas Schlothauer beschreef in zijn boek Die Diktatur der freien Sexualität de verhoudingen tussen de vrouwen onderling, vooral nadat Mühl begon de jonge meisjes op te eisen. De dertienjarige meisjes voelden er niets voor om met de grote leider naar bed te gaan. Daarom begon Mühl ze te verkrachten. Zijn vrouwen begonnen daarna de meisjes te terroriseren. Toch wordt Mühl ook tegenwoordig niet moe te vertellen dat hij tegen pedofilie is: “Ik heb het nooit met kinderen gedaan. De meisjes waren veertien, één dertieneneenhalf, en seksueel rijp. Ze wilden het ook allemaal.”

De wijze waarop Mühl nu gehuldigd wordt, heeft Jörh Haider, leider van de extreem-rechtse Freiheitlichen in actie doen komen. Na het optreden van Mühl in het Burgtheater beschuldigde Haider kanselier Viktor Klima ervan 'kinderschenders' te subsidiëren en eiste levenslange gevangenisstraf voor seksueel misbruik van kinderen. Klima was razend maar zijn verdediging was niet helemaal overtuigend. “Ik zal mij nooit met het programma van een staatstheater bemoeien”, riep hij tijdens het kamerdebat. “Een schrijver heeft het principiële recht opgevoerd te worden.” Mühl is echter geen schrijver en literatuur was wat hij ter berde bracht zeker niet, daar waren de critici van links en rechts het volkomen over eens. De protesten kwamen niet alleen uit de rechtse hoek. Ook een vrouwenalliantie, ondersteund door enkele mannen, bond de strijd met Mühls vrienden aan. Ze plaatste een advertentie in de Standard met de tekst: 'Waarom wordt Otto Mühl door een groot deel van de mannelijke kunst-scene bejubeld? Zou het kunnen dat Mühl de geheime verlangens van deze mannen heeft gerealiseerd?' Presidentskandidate Gertraud Knoll, de schrijfster Marlene Streeruwitz en zanger Barry McLoughlin waren de bekendste ondertekenaars.

Ook geld speelt een belanrijke rol in de rehabilitatie van Otto Mühl. “Al zijn vrienden kregen schilderijen van hem en die moeten op waarde gehouden worden”, aldus een kunsthistorica die niet met naam genoemd wil worden. Inderdaad is een strijd ontbrand over Mühls vroegere schilderijen. Toen een Weense galerie zijn vroege werk tentoonstelde, stapte Mühl naar de rechter. De oud-communeleden zouden niet door hem geautoriseerde schilderijen voor de verkoop hebben aangeboden. Via de schilderijen die Mühl onder vrienden verdeelde is ook de schrijver Peter Sichrovsky, die als Europarlementarier voor Haider in Brussel zit, als Mühl-vriend 'ontmaskerd'. Sichrovsky is een gehaat man in Wenen; links verwijt hem als alibi-jood voor Haider te fungeren, terwijl rechts niets van joden moet hebben. Sichrovsky werd ervan beschuldigd in 1989 - tegen vergoeding - in de mede door hem opgerichtte Standard positieve berichten over Mühls commune geschreven te hebben en ook een collega van het Duitse weekblad Der Spiegel in deze kwestie te hebben benaderd. Mühl zei dat Sichrovsky als media-adviseur voor hem had gewerkt, maar de schrijver ontkende dat. Hij had alleen een keer de tekst voor een catalogus geschreven, liet hij weten. Maar hoe kwam hij dan in het bezit van een Mühl-schilderij, vroegen journalisten. Als honorarium voor een catalogus-tekst zou toen 800 gulden gebruikelijk zijn geweest en het schilderij was tenminste 10.000 gulden waard. Sichrovsky schreef in een brief aan de Standard dat hij pas door de opwinding in de media op zoek was gegaan naar het schilderij. Hij had het inderdaad gevonden - in de kelder. Hij had nog overwogen het schilderij te laten veilen en de opbrengst aan Mühl-slachtoffers ten goede te laten komen maar zijn walging was zo groot geweest dat hij het doek in brand had gestoken. Tegen zijn linkse critici haalde Sichrovsky fel uit: 'Ik was altijd al conservatief. Het is racistisch joden bij voorbaat voor links uit te maken!'