Gevolg van Azië-crisis; Kapitaalstroom opkomende landen stokt

WASHINGTON, 25 MAART. De stroom particulier kapitaal naar de ontwikkelingslanden heeft in 1997 een flinke klap gekregen door de financiële crisis in Oost-Azië, maar kwam desondanks voor het zevende achtereenvolgende jaar uit op een recordniveau. De officiële ontwikkelingshulp nam verder af.

Volgens een jaarlijks rapport van de Wereldbank nam de particuliere kapitaalstroom over de eerste negen maanden van 1997 nog flink toe met 10 procent. Daarna volgde een inzinking, doordat de crisis in Azië in oktober leidde tot forse koersverliezen op de internationale effectenbeurzen.

Over heel 1997 groeide de kapitaalstroom met slechts 3,6 procent tot 256 miljard dollar (527 miljard gulden). Dat bedrag omvat bankleningen, door ontwikkelingslanden uitgegeven obligatieleningen, rechtstreekse investeringen en beleggingen. Volgens de Wereldbank zal het effect van de Aziëcrisis op de particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden dit jaar “beperkt” zijn.

De financiële onrust trof afgelopen jaar vooral obligatieleningen. In de laatste twee maanden van 1997 was Argentinië het enige ontwikkelingsland dat een internationale obligatielening uitgaf. In de eerste tien maanden trokken nog 35 landen op deze manier kapitaal aan.

Volgens de Wereldbank is het gezien de aanhoudende onzekerheid in het Verre Oosten waarschijnlijk dat de particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden dit jaar afneemt. Maleisië en de Filipijnen zullen nog een redelijke economische groei laten zien, van respectievelijk 3,5 en 3,0 procent. In Indonesië, Thailand en Zuid-Korea zal de economie krimpen of stagneren.

De crisis heeft ook de vooruitzichten voor Latijns-Amerika verslechterd. De Wereldbank heeft haar raming van de economische groei in die regio in 1998 verlaagd van 4,4 tot 2,9 procent. Vorig jaar was het nog 5 procent.

De netto-ontwikkelingshulp van rijke landen en internationale instellingen ging vorig jaar verder omlaag van 40 miljard dollar tot 37 miljard dollar. Dat is nog maar 0,21 procent van het gezamenlijke bruto nationaal product van de donorlanden. Halverwege de jaren tachtig was het nog 0,35 procent. Het rapport stelt vast dat de Derde Wereld de tol betaalt voor de bezuinigingen in rijke landen en het afbrokkelen van de steun voor ontwikkelingshulp in de publieke opinie. Daar komt bij dat hulp sinds het einde van de Koude Oorlog uit strategisch en militair oogpunt veel minder interessant is geworden.

De Wereldbank maant de rijke landen tot bezinning. “Er is een reëel gevaar dat de hulp afneemt tot een niveau waarop we niet meer kunnen voorzien in de ontwikkelingsbehoeften van de armste landen. De donors moeten in het oog houden dat het gaat om een investering in onze gezamenlijke toekomst.” (Reuters, ANP)