Gérard Depardieu

In een reeks profielen van gezichtsbepalende eigentijdse sterren deze week Gérard Depardieu die de rol van de door wijntje en trijntje geobsedeerde Porthos speelt in The Man in the Iron Mask.

Er zijn niet veel Europese sterren meer van het kaliber Sophia Loren, Marcello Mastroianni, Alain Delon of Jean Gabin. De laatste was het voorbeeld en ook aanvankelijk een beetje de mentor van Gérard Depardieu (Châteauroux, 27 december 1948), de laatste van de ook in Amerika als zodanig waargenomen Europese supersterren. Hoewel zijn Engels niet veel voorstelt (net als dat van Delon en Mastroianni), speelde hij in enkele Amerikaanse films (Green Card, de remake van zijn eigen vehikel Mon père, ce héros en als de geile musketier in The Man in the Iron Mask), maar kreeg zijn enige Oscarnominatie voor de titelrol in het oerfranse Cyrano de Bergerac (1990).

Depardieu's filmografie is imposant, niet alleen kwantitatief, maar ook vanwege de breedte en de kwaliteit. Langzaam begon hij aan het begin van de jaren zeventig op te vallen in bijrolletjes van kruimeldieven en jongens die maar niet willen deugen; vaak stonden die dicht bij zijn eigen werkelijkheid. In een aantal films, vooral van Bertrand Blier, vormde de logge, niet ongevaarlijke beer een duo met de meer leptosome leiperd Patrick Dewaere (Les valseuses, Préparez vos mouchoirs). Van het begin af aan wisselde Depardieu rollen in populaire publieksfilms (Vincent, François, Paul et les autres, Inspecteur la bavure) af met als obscuur beschouwde kunstfilms van bij voorbeeld Marguerite Duras (Le camion) of Maurice Pialat (Loulou, Sous le soleil de Satan). Voor menige andere filmauteur was Depardieu een favoriete vertolker: François Truffaut, Alain Resnais, André Téchiné, Marco Ferreri. In Ferreri's La dernière femme (1976) castreerde Depardieu zichzelf met een elektrisch broodmes; ook minder plastisch (Ciao maschio!) werd Depardieu een symbool van seksuele ambivalentie. Mannen identificeerden zich met hem omdat een onverzorgd uiterlijk (lange haren, overgewicht) geen gebrek aan erotische elektriciteit bleek te hoeven betekenen, vrouwen herkenden de androgynie en tederheid achter zijn mannetjesputterij.

Depardieu spreekt overtuigend de clichés tegen over Franse glamour. Hij belichaamt de door intellectuele vrijdenkerij geschraagde traditie van het andere Frankrijk, niet gepoeierd en ongeparfumeerd. Zijn ongeschoolde acteerstijl, vrij van maniertjes is in elke rol een verademing. Depardieu's immuniteit voor modeverschijnselen maakt hem ook tot een ideale vertolker van rollen in kostuumfilms. Het belangrijkst blijft Depardieu als rolmodel voor mannen die niet bang zijn voor hysterie, zelfs in hun eigen persoonlijkheid. Maar de travestiet in Tenue de soirée (Blier, 1986) is maar een van Depardieu's vele gedaanten, die ook overtuigt als communistische dagloner (Olmo in Novecento, Bertolucci, 1977) of huisvader met een geheime passie (La femme d'à côté, Truffaut, 1981). Ach, te leven als Depardieu in Frankrijk!