Europeanen dreigen onder de trein te komen

Een trein dendert door Europa. Wie zegt dat hij te hard rijdt of vraagtekens plaatst bij het eindstation: integratie, wordt nauwelijks gehoord. Maar bij de zekerheid die onder anderen premier Kok uitstraalt, kunnen wel degelijk vraagtekens worden geplaatst, vindt Paul Kapteyn.

Sinds enige dagen is Nederland een vereniging rijker. Ze heet 'Democratisch Europa' en werd maandag opgericht. Uit de beginselverklaring blijkt dat de initiatiefnemers niet tégen de Europese integratie zijn. Wel maken ze zich zorgen over het eenzijdige financieel-economische karakter ervan waardoor sociale en democratische verworvenheden worden aangetast. De vereniging wil de twijfel over hoe de integratie voortschrijdt, bundelen en waar nodig op politieke correcties aandringen.

Men kan twijfels hebben over het nut van zo'n vereniging. Toch is het initiatief behalve sympathiek ook ter zake. De Europese integratie is immers een trein die maar dóórrijdt. Wat aan twijfel, kritiek en bezorgdheid wordt geuit, het doet er niet toe. De verdragen zijn gemaakt en de verdragen worden nagekomen. Het kabinet en het merendeel van de parlementariërs verheugt zich in deze stiptheid. Ze hebben de afspraken gedeeltelijk zelf gemaakt en in ieder geval aanvaard. Ze geloven kennelijk in hun algemeen belang. Dit geldt bij uitstek voor premier Kok die tijdens een college aan de Leidse Universiteit weinig aarzeling kende.

Het integratieproces dient de vrede en welvaart van de betrokken landen, en de EMU vormt hiervan een bezegeling. Er zijn problemen, zoals stijgende concurrentiedruk in een wereld met open grenzen. Dat dwingt tot aanpassingen op allerlei terreinen. Het justitiële stelsel wordt strenger, de belastingdruk wordt lichter, de sociale zekerheid wordt kleiner, het milieubeleid wordt kort gehouden, de loonontwikkeling wordt gematigd, de sociale ongelijkheid wordt groter. Maar dat is niet het enige.

Voor Kok is de liberalisering behalve een feit, ook een uitdaging die om nieuwe controles vraagt om 'ongewenste gevolgen' van de vrije markt tegen te gaan. In Europa ligt de grote ambitie om waar nationaal de controles verzwakken, ze internationaal te versterken. Kok en zijn kabinet opereren daarbij op interstatelijke grondslag. Hij accepteert vooralsnog de kracht van de Raad van nationale ministers en de zwakte van het Europese Parlement en de Commissie. Hij accepteert eveneens het democratisch tekort dat met een interstatelijk Europa samengaat.

Dit streven naar een markt met optimale interstatelijke controles is zo gek nog niet. Het houdt het midden tussen twee uitersten: een markt met de maximale controles van een federatieve staat - een ideaal dat jarenlang werd aangehangen maar nu stilzijgend is verlaten - en de markt met minimale controles.

De vereniging 'Democratisch Europa' zou zich over twee bezwaren kunnen ontfermen. In de eerste plaats zijn de verwachte ontwikkelingen veel minder zeker dan Kok en de zijnen het laten voorkomen; in de tweede plaats wordt de bevolking nauwelijks bij het politieke proces betrokken.

Het kabinet ijvert voor Europese controles. Het voorbeeld is de EMU. Kok is vóór, omdat één munt de monetaire concurrentie van muntdevaluatie onmogelijk maakt, de nationale boekhoudingen disciplineert, de marktwerking versterkt en meer in het algemeen het integratieproces bezegelt. Maar hoe waar is dit? Kok kent de bezwaren die zich concentreren op het aloude feit dat staten wel bereid zijn soevereiniteit op te geven, maar niet bereid zijn om soevereiniteit over te dragen aan een 'hoger' gezag dat over hen de baas is. Het gevolg is het interstatelijke compromis dat de besluitvaardigheid remt, de democratische controle bemoeilijkt, maar vooralsnog als het hoogste haalbare beschouwd moet worden. Dat alles geldt ook voor de EMU en de euro, het unieke experiment van één munt die niet door één staat wordt gecontroleerd, maar door een verzameling van staten die elkaar en wellicht ook zichzelf niet vertrouwen. Daarom bonden zij zich vast aan de mast van de inmiddels beruchte criteria - gelijk Odysseus deed om niet te bezwijken voor de Sirenen. Dat lijkt een verstandige oplossing die echter voor nieuwe problemen kan zorgen. Wat te doen als híer de economie groeit maar dáár krimpt, terwijl alle landen aan hetzelfde rigide monetaire beleid zijn gebonden.

Kok zou er goed aan doen ruiterlijk te erkennen dat deze kritiek niet terzijde geschoven kan worden. De EMU is allereerst een politiek-emotionele onderneming van Frankrijk en Duitsland die met gebrekkige economische argumenten wordt toegedekt. Aan dit waagstuk doet Nederland mee met als simpele drijfveer: erbij te willen blijven horen in de hoop dat het goed gaat. Deze hoop moet de vader zijn van Koks zekerheid. Misschien krijgt hij gelijk en lukt het om de mogelijke economische asymmetrie onder controle te houden wanneer meer fortuinlijke landen minder fortuinlijke steunen. Maar misschien lukt dat niet en ontploft het monetaire stelsel. Een derde mogelijkheid is dat de dreiging van desintegratie leidt tot de verrassende sprong 'voorwaarts' van een Europees centraal belastingstelsel, zoals in de VS, en daarmee tot het begin van een heus Europees centraal gezag. Misschien heeft Kok al deze varianten doordacht en houdt hij een adequate reactie in petto. Als dat al zo is, dan laat hij het niet merken. Hij opereert 'onderkoeld'. Dat levert hem op de korte termijn de minste problemen, maar op de lange termijn riskeert hij het publieke vertrouwen.

Het tweede bezwaar is de geringe betrokkenheid van de bevolking bij het integratieproces. Omdat sommige lidstaten pertinent weigeren soevereiniteit over te dragen aan een Europese staat in wording, is de macht van het Europese Parlement zeer betrekkelijk en stellen de verkiezingen ervan niet veel voor. Dit democratische tekort is een groot probleem, zeker als het vetorecht van de lidstaten steeds verder wordt ingeperkt en de nationale controlemogelijkheden navenant kleiner worden. Toch is daar op korte termijn weinig aan te doen, zolang de eigen soevereiniteit in dit opzicht 'heilig' blijft.

Het Nederlandse kabinet is niet machteloos. Zolang de Europese democratie niet of nauwelijks bestaat, dient de nationale staat de controlemogelijkheden die er zijn, uit te buiten en de bevolking ook langs ongebruikelijke wegen bij de besluitvorming te betrekken. Het gaat tenslotte om een niet eerder vertoond experiment dat het hart raakt van de nationale staat. Maar dat gebeurt niet.

Deze kritiek is vaker geuit, maar zonder merkbaar effect. Er is bijvoorbeeld geen nationale Europese Kamer gevormd zoals in Denemarken. Evenmin hebben de grotere partijen serieus gepraat over een volksraadpleging waartoe - anders dan vaak wordt gezegd - het parlement het initiatief kan nemen. De enige die de Europese volgzaamheid nog wel eens aan de orde stelt, is de VVD, maar die wil van een referendum in welke vorm dan ook niets weten. Ronduit treurig is het gesteld met de verkiezingsprogramma's. Tot voor kort beleden alle grotere partijen een onversneden Europees federalisme, en met het geloof in deze irrealis ontsloegen ze zichzelf van hun democratische plicht. Dat is anders geworden. In de programma's voor de aanstaande Tweede-Kamerverkiezingen ontbreekt dit ideaal vrijwel. Dat is winst, ware het niet dat Europa nu in het hele verhaal nauwelijks meer voorkomt. Men weet kennelijk niets te bedenken om het Europees automatisme te doorbreken of men durft het eenvoudig niet.

Dit is verwerpelijk, gelet op de democratische principes die hier worden beleden.

Het is een bekend feit dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking instemt met de gemeenschappelijke markt, maar twijfels heeft wanneer het controleren van die markt de nationale autonomie schaadt. Er zijn goede redenen om die schade te aanvaarden in de verwachting dat op termijn de Europese controle wordt versterkt. Maar dit inzicht of deze verwachting is geen instinct. Het gaat om een verlichte vorm van eigen belang en die moet worden aangeleerd en overgedragen. Dat geldt voor de EMU, maar evenzeer voor alle andere terreinen waar de inperking van nationaal beleid op Europees niveau zou kunnen worden gecompenseerd, maar waar dit niet gebeurt: het milieu, de rechtsstaat, de arbeidsvoorwaarden, en de democratische controles zelf. Als Kok deze controles inderdaad wil uitbreiden, moet hij de bevolking informeren en mobiliseren tot een politieke factor van gewicht. Mensen, of beter veel mensen moeten het gaan willen. Niet alleen uit democratisch oogpunt, maar ook op grond van simpele machtsoverwegingen.

Zoals de verhoudingen nu liggen, slaat de machtsbalans door naar wie genoeg heeft aan een markt met minimale controles, zoals de grote ondernemingen en daaraan verwante politieke partijen. Zij die daar van huis uit anders over denken, zoals de vakbonden, zijn - net als de lidstaten zelf - op Europees niveau verdeeld. Ze staan dus zwak, net als de aan hen verwante politieke partijen. Zij zouden hun positie kunnen versterken door de bevolking de mobiliseren. Maar dat gebeurt niet.

Misschien beseffen ze hun belang bij de zaak niet voldoende en zijn ze tevreden met het voorlopige succes van de vaderlandse economie op de vrije markt. Misschien geloven ze niet in hun overtuigingskracht en vrezen ze een averechts effect van een campagne voor meer Europese controles. Hoe dit ook zij, de motieven deugen niet. Europa is te groot om het 'klein' te houden. Wie dat niet erkent, berokkent de democratie schade en bezorgt bovendien de Europese integratie een gespleten identiteit, hangend tussen nationale en bovennationale aspiraties.