EMU-klas slaagt met hakken over de sloot

De eindexamenklas heeft de cijfers teruggekregen en is geslaagd. Een enkeling met de hakken over de sloot, maar elf landen die hebben meegedaan aan het examen dat toegang geeft tot de Economische en Monetaire Unie.

FRANKFURT, 25 MAART. Alle landen hebben vandaag in Frankfurt en Brussel gewonnen en geen enkel heeft verloren. Het Europees Monetair Instituut, de voorloper van de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie hebben hun rapporten gepubliceerd. Vandaag heeft ook De Nederlandsche Bank zijn oordeel naar het kabinet gestuurd en vrijdag volgt nog het zwaarwegende rapport van de Duitse Bundesbank, maar dan liggen ook alle gegevens en oordelen op tafel.

Wat een jaar geleden nog onmogelijk leek, is bezig zich te voltrekken. Europa stevent af op het begin van een 'brede muntunie', waarbij elf van de vijftien EU-lidstaten zich hebben gekwalificeerd, sommigen met een aantekening. In alfabetische volgorde: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Vrijwillig blijven Denemarken, Groot-Brittannië en Zweden buiten het EMU-gebied, terwijl Griekenland vooralsnog niet kwalificeert.

Op grond van de rapporten die vandaag zijn gepresenteerd, zullen de nationale regeringen hun standpunten bepalen en zullen nationale parlementen en het Europees parlement zich over de naleving van de toelatingscriteria bij de keuze van de landen uitspreken. Daarbij zal ongetwijfeld opnieuw naar voren komen dat er weliswaar sprake is van de in het Verdrag van Maastricht vereiste voortgaande macro-economische convergentie van de pre-EMU-landen, maar dat de uiteindelijke keuze evenzeer politiek is bepaald.

Bij het besluit of de zuidelijke landen zich in het kader van de EMU onlosmakelijk mogen vastkoppelen aan wat tot nu toe een uitgebreide D-markzone is geweest, spelen de duurzaamheid en de geloofwaardigheid van het financiële en economische beleid een centrale rol. De harde-muntlanden van het D-markblok willen de maximale zekerheid dat de 'Club Med-landen' van Zuid-Europa hun verleden van zwakke munten definitief achter zich hebben gelaten. De centrale bankiers van het EMI stellen zich vandaag in hun convergentierapport daar vierkant achter. Maar ook België met zijn torenhoge staatsschuld, krijgt van hun een veeg uit de pan. Het zal, evenals Italië, begrotingsoverschotten moeten gaan voeren om zijn schulden versneld terug te brengen.

De Duitse minister van financiën Theo Waigel nam hier het afgelopen weekeinde,tijdens de informele Ecofin in het Britse York, al een voorschot op: als Duitsland zijn D-mark eind dit jaar opgeeft voor de euro, dan moeten de toekomstige mededeelnemers aan de EMU nóg meer garanties geven dat zij de hardheid van de euro niet in gevaar brengen.

Waigel liep hiermee vooruit op de eisen die Europa's centrale bankiers vandaag hebben geformuleerd. De bankiers, verenigd in het Europees Monetaire Instituut, geven weliswaar hun zegen aan de elf lidstaten die vanaf volgend jaar willen deelnemen aan de EMU, maar ze doen dat niet zonder bedenkingen. Op papier voldoen de elf EMU-aspiranten aan vier - en een aantal aan vijf - van de eisen voor deelname, die zijn vervat in het Verdrag van Maastricht. Alle hebben zij een begrotingstekort van niet meer drie procent van het bruto binnenlands product, dat overigens veelal is bereikt nadat de grenzen van de boekhoudkunde uitputtend zijn verkend. Alle kennen zij een lage inflatie en langetermijnrente, die binnen de eisen vallen. En de munten zijn stabiel genoeg geweest.

Maar bij de hoogte van de staatsschuld halen sommige landen het op zijn best met hun hakken over de sloot. Die staatsschuld mag niet hoger zijn dan 60 procent van het bbp. Als hij toch hoger is, dan moet de staatsschuld in een bevredigend tempo dalen in de richting van die 60 procent. De meest flagrante gevallen zijn België en Italië, beide met een staatsschuld van meer dan 120 procent - tweemaal de toegestane norm - en de daling is minimaal.

Een staatsschuld is op te vatten als een optelsom van begrotingstekorten uit het verleden. Vandaar ook dat er enige consideratie is geweest met het 'schuldcriterium'. Regeringen die de afgelopen jaren, bij economische tegenwind, grote vorderingen boekten met het terugbrengen van het tekort mogen niet gestraft worden voor de fouten van hun voorgangers.

Maar een grote staatsschuld kan evengoed worden opgevat als een gevaar voor de toekomst. De rente op de staatsschuld drukt op de begroting en maakt die onvoorspelbaar: als de rente stijgt, dan brengen de meestijgende rentelasten de begroting weer snel in de buurt van de gevarenzone van 3 procent.

Vandaar dat de centrale bankiers zich vandaag in hun analyse van de staatshuishouding concentreren op de langetermijn. Het boekhoudkundige kunst en vliegwerk waarmee met name de Italiaanse, Belgische, Duitse en Franse begrotingen over 1997 op orde zijn gebracht, moet van hun worden omgezet in duurzame maatregelen. Het EMI concludeert dat de eenmalige trucs in 1997 tussen de 0,1 procent en 1 procent (Italië) van het bbp bedroegen. Dat wordt oogluikend toegestaan, maar in de toekomst, als het aan de bankiers ligt, niet meer. De landen met een te hoge staatsschuld moeten hard kunnen maken hoe zij die in zo kort mogelijke tijd op een toelaatbaar niveau brengen.

Zo beloont het EMI vandaag de klas van elf met een mager zesje. Ze hebben allemaal het toelatingsexamen voor de muntunie gehaald, maar sommigen krijgen een taak mee voor de zomervakantie.

    • ROEL JANSSEN EN MAARTEN SCHINKEL