Canal+ krijgt culturele trekjes

Canal+ is aanwezig op de meeste Nederlandse kabelnetten en kost dan de lieve som van 59,95 gulden per maand. Inl.: 030-6086666. Een abonnement is ook mogelijk met behulp van een digitale satellietontvanger.

Toen de Nederlandse abonnee-zender Canal+ vorig jaar aankondigde als coproducent van Nederlandse documentaires te willen optreden, bracht dat in de kringen van de publieke omroep, zonder wie in Nederland nauwelijks een documentaire tot stand kan komen, nogal wat zure opmerkingen teweeg. Uitverkoop van publieke belangen aan het grote geld, hoorde je mompelen, want Canal+ eist voor zijn investering eerstvertoningsrecht.

Al binnen een jaar blijkt echter, dat dergelijke bezwaren bij de publieke omroep grotendeels zijn weggesmolten, voor zover ze hebben bestaan. Zaterdagavond is op Canal+ het eerste deel van Een bevlogen geschiedenis: 90 jaar luchtvaart in Nederland te zien. Het is een door Canal+ en de Evangelische Omroep samen geproduceerde serie van vier, die later dit jaar ook bij de EO te zien zal zijn.

Een bevlogen geschiedenis is gemaakt door Cameo Media, een bedrijfje dat eerder bekendheid verwierf door het bedenken en ontwikkelen van Hart van Nederland, de voor Nederland baanbrekende nieuwsformule van SBS6. Afgaande op de eerste aflevering is Een bevlogen geschiedenis een eerbiedwaardig werkstuk, waarin archiefbeelden en interviews met Nederlandse luchtvaartveteranen elkaar afwisselen. Onder die veteranen is prins Bernhard, die de luchtvaartgeschiedenis kennelijk aan het hart heeft gesloten: hij werkte vorig jaar ook al mee aan de in kunstzinnig opzicht wat bevlogener luchtvaart-documentaire Happy Birthday Connie van de AVRO.

Ofschoon in zijn vorm enigszins aan schooltelevisie herinnerend, is Een bevlogen geschiedenis inhoudelijk zeer de moeite waard. Dat Anthony Fokker de beginnende Nederlandse vliegtuigindustrie in eerste instantie tot bloei bracht door in opdracht van het Duitse leger in de Eerste Wereldoorlog toestellen te bouwen, wist ik niet. Ook het verhaal hoe Fokker na de Duitse nederlaag in 1918 toestellen aan de controle van de overwinnaars onttrok en naar Nederland wist te verschepen, is bepaald fascinerend. De neiging van de Nederlandse overheid en het Nederlandse bedrijfsleven, om in onderling overleg een loopje te nemen met de internationale rechtsorde, is duidelijk niet van gisteren.

Een bevlogen geschiedenis markeert ook een nieuwe etappe in het streven van Canal+, zichzelf te profileren als een cultureel instituut in de Nederlandse samenleving. Toen het Franse bedrijf Canal+ vorig jaar de Nederlandse abonneezender Filmnet overnam van zijn Zuidafrikaanse eigenaren, ging het om een wezenloze film-jukebox, waarin Hollywood-product van vaak twijfelachtige waarde de toon zette. Canal+ maakt er een beetje meer televisie van: met veel Nederlands voetbal, documentaires en zelfs registratie van evenementen als de opvoering van de opera Aïda in de Rotterdamse Ahoy.

Ook de filmkeuze van het station lijkt wat te verbeteren. De Amerikaanse B en C-films zijn minder opvallend aanwezig, het aantal Europese films is toegenomen. Er zijn filmretrospectieven, zoals van vroegere Oscar-winnaars, en bijzonder geslaagd was de keuze aan films op Canal+ uit het programma van het Rotterdamse filmfestival. Vanuit Rotterdam bracht Canal+, onder leiding van de onvermijdelijke Jac. Goderie, ook een aardig dagelijks festivaljournaal.

Al deze programma-elementen zijn een getrouwe kopie van de aanpak in Frankrijk. Eén element uit de Franse formule is in Nederland nog opvallend aanwezig: een ongecodeerd venster in de vooravond, waar ook niet-abonnees naar kunnen kijken. Maar wat niet is kan nog komen: in Vlaanderen gaat Canal+ nog dit jaar met zo'n ongecodeerd venster van start.