Zakje met inhoud

's Morgens bij het vegen van mijn stoep vind ik langs de gevel een doorzichtig plastic zakje vol grijswitte propjes, die mij meteen aan heroïne doen denken. Niet dat ik dergelijke propjes ooit eerder heb gezien, maar het zakje kwam onder de vuurdoorn vandaan en droge plekjes zijn geliefde verstop- en afhaalplaatsen voor het 'circuit'. Ik houd direct op met vegen en kijk schichtig om mij heen. Heeft iemand gezien dat ik mij bukte? Dealers en junks houden altijd iedereen in de gaten die iets van de straat opraapt.

Ik neem mijn vondst mee naar zolder. Zonder het zakje open te maken onderwerp ik het aan een nauwkeurig onderzoek. Wat ik voor propjes aanzag, blijkt een hoeveelheid vierkante vloeipapiertjes te zijn, waarvan de hoeken tot een puntje zijn samengedraaid om de poederige inhoud bij elkaar te houden. Ik was mijn handen want ik voel er niets voor om zo'n getrainde herdershond aan mijn pols te hebben hangen.

Onhoorbaar open ik het dakraam, pak een zakspiegel en gebruik die als een spionnetje om de straat af te speuren. Houden ze mij in de gaten? Ze weten nu waar ik woon en ik heb geen zin in een klap op mijn kop.

Natuurlijk moet ik het spul meteen naar de politie brengen, maar is die wel te vertrouwen? Ik denk aan de undercover agenten. Wie garandeert mij dat de dienaren van Hermandad er niet zelf mee aan de haal gaan? Hoeveel zou het trouwens waard zijn? En aan wie kun je zoiets vragen? Het moet niet moeilijk zijn om dit partijtje van de hand te doen. Als ik ermee naar buiten ga ben ik het binnen een minuut kwijt. Maar het is de vraag of ik dan nog één rustig ogenblik heb.

Zal ik het terugleggen? Want natuurlijk wordt ernaar gezocht. En wat doet de koper, als hij het zakje niet vindt, met de leverancier? Of wat doet de leverancier met de koper, als deze blijft volhouden dat hij niets gevonden heeft en weigert te betalen? Maar als ik het terugleg kunnen de kinderen van de buren het vinden. Of nóg kleinere kleuters. Dan toch direct naar de politie? “Ben je gek”, fluistert de duivel in mijn oor. “Wie brengt er nou tien mille naar de politie? Misschien wel twintig! Je gunt het ze niet. En jij bent toch de vinder!” Geïrriteerd schud ik het hoofd. Ik doe het zakje in een A4-envelop, was opnieuw mijn handen en doe of ik het vergeet.

Aan het eind van de middag lees ik in de krant dat het niet helpt alle dealers op te sluiten daar er altijd weer nieuwe mensen zullen klaarstaan om voor grof geld over lijken te gaan. Ik knik. Dit artikel is vandaag speciaal voor mij geschreven. Geld smaakt zoet. Natuurlijk ga ik het spul op het bureau inleveren, maar de gedachte aan het afgeven van al die duizendjes levert toch een licht gevoel van spijt op.

Op straat word ik niet gevolgd en de hal van het politiebureau is gelukkig leeg. Ik laat het zakje uit de envelop op de balie glijden. De agent kijkt mij onderzoekend aan en vraagt waar ik dit voorwerp heb aangetroffen. Hij draait het in zijn handen rond, voelt eraan en zegt op een toon alsof hij vloekt: “So, die sal effe balen!”

Als ik naar huis loop, zie ik een verwaarloosd meisje dat met vuile nagels een vodje papier tussen de straatstenen vandaan probeert te peuteren en ik begin mij te schamen.