Veiling tankstations goed voor benzinemarkt

DEN HAAG, 24 MAART. Op 8 oktober 1996 vroeg de Tweede Kamer in een met algemene stemmen aanvaarde motie (eerste ondertekenaar P. Hofstra, VVD) de regering snel met voorstellen te komen om de vergunningen voor benzinestations langs de Nederlandse snelwegen eerlijker te verdelen.

De drie grootste partijen in de Tweede Kamer willen meer concurrentie op de benzinemarkt door een periodieke veiling van vergunningen voor benzinestations langs de snelwegen. Dat zal volgens KPMG “een belangrijke positieve werking hebben op de werking van de benzinemarkt”, maar niet direct tot lagere prijzen leiden.

Krap een jaar daarna, op 4 september 1997, bracht het Bureau voor economische argumentatie van KPMG een rapport over die materie uit met een conclusie waar de regering eigenlijk niet omheen kan. Toch ligt het rapport van KMPG al ruim vijf maanden in de lade van de kampioen marktwerking van 'paars': minister Wijers van Economische Zaken.

Wijers wil meer pricefighters op de markt voor motorbrandstoffen en laat een werkgroep uitzoeken hoe er meer toetreders op die markt een plaats kunnen krijgen en de prijsconcurrentie kan worden gestimuleerd. Het geduld van de drie grootste fracties in de Tweede Kamer - PvdA, VVD en CDA - is op; ze willen dat hij nog vóór de verkiezingen op 6 mei maatregelen neemt om in elk geval het vergunningensysteem voor tankstations langs de rijkswegen te wijzigen. Dat betekent een gevecht met machtige partijen en gevestigde belangen, want Shell, Texaco en Esso hebben nu samen een marktaandeel van 86 procent in de verkoop van brandstoffen langs de snelwegen.

Het systeem van toewijzing in het verleden heeft een oligopolistische markt (weinig aanbieders van hetzelfde product) opgeleverd, met grote barrières voor nieuwe toetreders en overwinsten die niet aan de klant noch aan de staat ten goede komen. Die overwinsten ontstaan door een wisselwerking tussen het schaalvoordeel van grote oliemaatschappijen die de toplocaties (enorme omzetten) langs de snelwegen hebben verworven, en de acties die zij voeren voor klantenbinding (zegeltjes, Air Miles). Die loyaliteitssystemen leveren volgens KPMG op zichzelf weer een uittredingsbarrière op, want er moet veel in geïnvesteerd worden. Wie de beste kadootjes uitdeelt bouwt een trouwe klantenkring en een hoge omzet op. Maar die goodwill verkoop je niet, want ze is gebonden aan een merk.

Behalve door het uitgiftebeleid voor vergunningen is de oligopolistische markt in Nederland nog eens versterkt door een grootscheepse sanering van het aantal tankstations vanaf de tweede helft van de jaren '80, die de rol van de 'witte pompen' heeft teruggedrukt. Oliemaatschappijen en exploitanten moesten veel geld investeren in milieuvoorzieningen en de 'kleintjes' konden die kosten niet meer terugverdienen. Alle maatschappijen en exploitanten die wèl kapitaalkrachtig genoeg zijn, hebben bijgedragen aan een sociaal afvloeiingssysteem voor ondernemers die moesten stoppen. Daarom loopt Nederland nu voorop met 'schone' stations: de ondergrond is schoongemaakt, er zijn kunststof tanks en -leidingen aangebracht en onder de bestrating ligt een vloeistofdichte laag met afvoerputten waar gemorste brandstoffen keurig worden opgevangen voor hergebruik.

Shell - de Nederlandse marktleider - dreigde in 1996 al openlijk met schadeclaims als de overheid het in haar hoofd zou halen om een van de hoekstenen van haar verkoopbeleid, de vergunningen voor de beste tankstations, aan een termijn te gaan binden. En dat is precies wat de Tweede Kamer bepleit: alle 250 bestaande vergunningen moeten periodiek geveild worden in een systeem dat rekening houdt met de investeringen in tankstations. Volgens KPMG bedraagt de economische levensduur van een tankstation 10 tot 15 jaar. Na ommekomst van die periode eindigt de vergunning en wordt deze bij opbod 'onder couvert' geveild waardoor nieuwe partijen een kans kunnen krijgen. Er komt een overgangstermijn en een tijdige waarschuwing zodat niemand voor verrassingen komt te staan.

Volgens KPMG hoeft de overheid niet zo bang te zijn voor grote schadeclaims, want de juridische analyse leert dat oliemaatschappijen met goed fatsoen kunnen worden uitgezonderd van een verliescompensatie die kleinere ondernemers wel zou toekomen. Toch zal een veiling aan het oligopolistische karakter van de markt op korte termijn niets veranderen, verwacht het bureau. Ook is er niet aanstonds een prijsverlaging van te verwachten. Het systeem zou op korte termijn zelfs duurder voor de klant kunnen uitkomen, omdat oliemaatschappijen geneigd zijn kostenverhogingen door te berekenen.

Maar de veiling heeft wel degelijk een positieve invloed op de marktwerking: de toetredingsbarrières worden verlaagd en de overwinsten worden afgeroomd (vloeien naar de staat) waardoor de marktpartijen op langere termijn qua financiële slagkracht gelijkwaardiger worden. De conclusie moet Wijers als muziek in de oren klinken: “Geleidelijk ontstaat er een level playing field tussen de marktpartijen.”

De meest kapitaalkrachtige maatschappijen zullen vanzelfsprekend het hoogste bod uitbrengen bij een veiling, maar ze weten niet hoe hoog ze precies moeten bieden. In elk geval zal de vorig jaar ontstane combinatie British Petroleum-Mobil zich als sterke concurrent van Shell, Texaco en Esso opwerpen en het systeem zal de vorming van nieuwe combinaties sterk stimuleren.

Behalve het instrument van de veiling zou de overheid nog andere stimulansen voor pricefighters kunnen inzetten. Dat kan door “het beperkte aantal locaties langs het hoofdwegennet” (KPMG) weer te verruimen en het verbod op verkoop van brandstoffen bij wegrestaurants, te verzachten. Dat geldt ook voor de nieuwste trend die in het Verenigd Koninkrijk het sterkst manifesteert: de combinatie van shops met tankstations, kleine supermarkten waar de consument nog even boodschappen haalt en meteen zijn tank volgooit.

De werkgroep van Wijers overweegt ook een verlaging van de “startkosten”, het verlagen van financieringskosten voor nieuwe partijen en het aanpassen van bestaande concurrentie-instrumenten. Dat lijkt de moeilijkste opgave, gezien de kracht van grote merken en hun zegeltjes en Air Milesacties.