Steekspel over discriminatie van homo's

AMSTERDAM, 24 MAART. Discriminerende uitlatingen over homoseksuelen kunnen een “olievlekwerking” hebben en “de maatschappelijke positie van de hele groep aantasten”.

Dat was iets meer dan tien jaar geleden voor de regering een belangrijk argument om de strafwet op dit punt aan te scherpen. Het gevaar van uitstraling is nu voor het gerechtshof in Den Haag de voornaamste reden geweest te bepalen dat de hoofdofficier van justitie een strafklacht tegen de RPF-leider L. van Dijke niet had behoren te seponeren. Van Dijke dient volgens het hof alsnog te worden vervolgd wegens belediging van een groep mensen. L. van Dijke, de politiek leider van de RPF, moet alsnog worden vervolgd wegens discriminatie van homoseksuelen, zo besliste het gerechtshof van Den Haag. Bij de botsing tussen grondrechten mag de rechter het, als zo vaak, uitzoeken.

De RPF-voorman had homoseksuelen op één lijn gesteld met dieven en fraudeurs. Hij heeft deze vergelijking openlijk betreurd in een excuusbrief. Maar als puntje bij paaltje komt beroept hij zich op de vrijheid van christenen in Nederland “om de Bijbel publiekelijk na te spreken, ook op het punt van (homo)seksualiteit”. Van Dijke vertrouwt erop dat de strafrechter straks de vrijheid van godsdienst hoger zal achten dan het verbod van discriminatie, ook al is ook dat een grondrecht.

In de beschikking waarin de zaak naar de strafrechter werd verwezen, gaat het Haagse gerechtshof niet in op deze botsing van grondrechten. Toch geeft deze omstandigheid de strafzaak tegen Van Dijke een niet-alledaags karakter. Zeker omdat de godsdienstvrijheid in dit geval hand in hand gaat met de vrijheid van politieke expressie. Het respecteren van de vrijheid van politieke partijen is van essentieel belang voor het functioneren van de democratie. Ook wanneer dat leidt tot standpunten die weerstand oproepen in de samenleving. In het geval van Van Dijke liet het Haagse hof juist meewegen dat diens uitingen steeds meer kringen tegen de haren instrijken.

Het is niet voor het eerst dat een kleine christelijke partij wegens het uitdragen van haar opvattingen bij het Haagse hof op het matje moet komen. In 1995 behandelde dit hof een klacht tegen het afzien van strafvervolging van de SGP wegens haar weigering vrouwen toe te laten tot het lidmaatschap van deze partij en hen verkiesbaar te stellen. In dit geval viel het oordeel gunstig uit voor de mannenbroeders. “De SGP discrimineert wel”, concludeerde het hof, “maar niet op strafbare wijze”.

Een belangrijke overweging voor het hof was toen dat de gewraakte partijlijn beperkt bleef tot de eigen kring en niet was bedoeld om anderen aan te zetten tot discriminatie van mensen wegens hun geslacht. Een annotator in het Bulletin van het Nederlands juristen comité voor de mensenrechten vond dat het hof een “verrassend grote vrijheid” liet aan politieke partijen en groeperingen. Hij erkende echter dat de geschiedenis van de vernieuwde wetsbepalingen over strafbare discriminatie “nauwelijks éénduidige conclusies toestaat”.

Tijdens de parlementaire behandeling van de wet in 1990 werd verschillende malen gevraagd om verduidelijking. De toenmalige minister van justitie, Hirsch Ballin, wenste zich echter niet te begeven in de “casuïstiek”. Zo kon hij betogen dat er geen sprake is van strafbare discriminatie als de aangeklaagde zich kan beroepen op eigen rechten en vrijheden. Aan de andere kant stelde hij dat de godsdienstvrijheid of de vrije meningsuiting geen vrijbrief zijn voor het krenken en kwetsen van anderen.

Als zovaak mag de rechter het uitzoeken. Er zijn twee precedenten, maar die dateren beide van voor de nieuwe strafwet en hebben bovendien niet betrekking op een strafzaak maar op een civiel kort geding. Het resultaat viel bovendien verschillend uit:

Kardinaal Simonis werd in 1987 Utrecht voor de rechter gedaagd, omdat hij had gezegd dat de duivel de bron is van alle kwaad, waaronder homoseksuele daden. Ook kon hij zich voorstellen dat verhuurders zo “gewetensvol” zijn dat zij informeren of een aspirant-huurder homoseksueel is en bij een bevestigend antwoord weigeren woonruimte te verhuren. De rechter weigerde deze vorm van het uitdragen van een kerkleer te verbieden.

Het evangelistenechtpaar Goeree werd voor de rechter gedaagd, omdat zij in hun blad hadden gezegd dat mensen die homoseksuele omgang hebben de dodelijke ziekte aids als straf verdienen. Hoewel de rechter in Zwolle verklaarde dat dit wel bijzonder navrant en kwetsend was en dus te ver ging, herhaalde het evangelistenechtpaar de verboden argumentatie in een open brief. Daarin richtten de echtelieden zich speciaal tegen de (homoseksuele) klager, met als gevolg een nieuwe veroordeling. De Hoge Raad bevestigde het vonnis.

Om het helemaal ingewikkeld te maken kent het strafrecht sinds jaar en dag een algemene uitzondering op de bepalingen over belediging ten behoeve van uitingen die de strekking hebben “een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen”. Dat vormt een voor de hand liggend aanknopingspunt voor een gekozen politicus als Van Dijke.

Deze uitzondering gaat echter niet direct op voor het beledigen van een bevolkingsgroep, want deze strafbepaling richt zich juist tegen publieke belediging in het openbaar debat. Excuses in deze sfeer (zoals nu met de open brief van Van Dijke) zouden dit soort bepalingen krachteloos maken, merkte de Amsterdamse hoogleraar strafrecht S. Stolwijk op naar aanleiding van een andere Goeree-zaak.

Toch blijft het de vraag waar de strafwet zijn grens vindt. “Het is onzeker of men zich nog laatdunkend mag uitlaten over pedofielen, potloodventers of sadisten die hun vrouw meppen”, mopperde een hooggeleerde scribent in 1990 in het Juristenblad. “Of bijbelshops nog wel mogen staat evenmin vast, want het Sodom- en Gomorraverhaal zet toch aan tot haat tegen homoseksuelen?”