Spelling

Prof. Neijt legt in haar bijdrage (14 maart) heel duidelijk bloot waar de politiek bij de laatste spellinghervorming heeft gefaald, en waar diezelfde politiek de schuld op anderen probeert af te schuiven.

Maar moeten het dan (theoretisch ingestelde) taalkundigen zijn die nieuwe regels opstellen? De heer Bok (zelfde krant) geeft al aan dat het probleem in essentie ligt bij het feit dat te vaak in de taal wordt ingegrepen, en wel steeds op een wijze die schriftelijke communicatie eerder minder dan meer ondubbelzinnig maakt.

Het lijkt daarom voor de hand te liggen om - als er al in de spelling moet worden ingegrepen, en er is alle reden voor om nieuwe ingrepen binnen een generatie na de vorige wettelijk te verbieden - meer rekening te houden met beroepsbeoefenaren die weten hoezeer een bepaalde schrijfwijze invloed heeft op de helderheid van het geschreven woord. Er zou mijns inziens dan ook beter geluisterd moeten worden naar professionele auteurs; de voorzitter van TekstNet (een vereniging van tekstschrijvers), Felix van de Laar, heeft een boekje geschreven waarin ondubbelzinnig wordt afgerekend met de nieuwe regels voor de tussen-n. Dit boekje (De kleren van de nieuwe spelling) zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die zich met spelling bezighoudt of denkt zich daar in de toekomst mee bezig te moeten gaan.

De verenigingen van schrijvers en redacteuren zijn echter nu juist de groeperingen die in Nederland min of meer consequent buiten overleg over de spelling worden gehouden. Zouden de spellinghervormers wellicht bang zijn dat hun onverantwoorde (want tot onbegrip leidende) ideeën al in een vroegtijdig stadium worden ontmaskerd als een bijdrage aan toenemende onduidelijkheid van het geschreven woord?