Orgaandonatiewet

Op de Opiniepagina van 20 maart publiceert Wim Köhler zijn twijfels ten aanzien van de wet op de orgaandonatie. Op grond van ervaringen uit mijn anesthesiologisch verleden deel ik deze twijfels ten volle, zij dreigen nu door de wetgeving zekerheden te worden.

De belangen van de ernstig zieke met goede organen zijn tegengesteld aan de belangen van de patiënt, die zo snel mogelijk donororganen wil ontvangen. De belangen van de transplanterende geneesheer zijn in wezen dus tegengesteld aan de belangen van de behandelend geneesheer. Deze conflictsituatie ken ik uit 1965, als behandelend geneesheer van een nog niet gestorven patiënt, maar potentiële nierdonor. De afloop van dit conflict leidde tot een discussie die nu helaas definitief in het nadeel van de donor dreigt te worden beslecht. Immers, in een klinisch levensbedreigende situatie is de hoop op herstel van de patiënt en alle activiteiten om dat te bevorderen in beginsel ook noodzakelijk voor het behoud van de kwaliteit van de eventueel te transplanteren organen van betrokkene.

De overweging echter om de mogelijk levensreddende behandeling te staken in een stadium dat hart, nieren enz. nog in topconditie verkeren voor transplantatiedoeleinden is verleidelijk, maar ethisch zeer hachelijk, zo niet verwerpelijk. Criteria daarvoor zijn helaas nu nog te vaag, maar het is de vraag of hier een fundamentele oplossing te vinden is. Helaas is er het evidente gevaar dat de onduidelijke grens tussen het natuurlijk stervensproces en het voortijdig ingrijpen ten behoeve van orgaandonatie overschreden zou kunnen worden.

Inderdaad biedt heroverweging van het verbod op genetische manipulatie van dieren een mogelijke oplossing. Als op die manier donororganen kunnen worden verkregen, vervallen de haast onoplosbare ethische bezwaren bij het verkrijgen van humane donororganen.