Opec verliest invloed door olie-akkoord

Het besluit van een reeks olielanden om hun productie te verlagen is buiten het Opec-kartel om genomen. Twee lidstaten lappen de quota (maxima per land) aan hun laars. De invloed van Opec is geminimaliseerd.

ROTTERDAM, 24 MAART. Waar blijft Opec, de organisatie van olie-exporterende landen in de strijd om de prijsval voor ruwe olie een halt toe te roepen? Die vraag ligt de afgelopen maanden op de lippen van menige marktpartij. Zondag kwam het antwoord: helemaal nergens. En gisteren veegden Venezuela en Nigeria, twee grote exporteurs onder de elf lidstaten van het eens zo machtige kartel, de laatste illusies over de invloed van Opec van tafel.

Op 26 maart had het antwoord van Opec op de prijscrisis moeten komen. In Wenen was een spoedvergadering belegd die een noodmaatregel had moeten opleveren: een stevige collectieve productievermindering. Maar op het laatste moment werd het beraad wegens al te grote meningsverschillen afgeblazen. De olieprijzen waren tot het laagste niveau in negen jaar gedaald in een tempo dat zich in geen vijftien jaar had voorgedaan.

Oorzaken: het Opec-besluit van november vorig jaar om de productie met 10 procent op te voeren, de zachte winter in Noord-Amerika en West-Europa, de terugkeer van Irak op de oliemarkt en overschrijding van de Opec-quota door Venezuela, Nigeria en Qatar.

Vooral die ongehoorzaamheid, de rol van de quotabusters, heeft Opec de das omgedaan. Saoedi-Arabië, de grootste exporteur ter wereld, eiste naleving van de quota, de plafonds voor productie per land die in november waren afgesproken. Door bemiddeling van de kleine Opec-producent Algerije, een van de landen die het sterkst werd getroffen door de lage olieprijs, kwam er eind vorige week een geheim overleg tussen Saoedi-Arabië, Venezuela en het niet-Opec land Mexico tot stand in de Saoedische hoofdstad Riad. Dat leverde geen naleving van de quota op, maar wel een akkoord voor productievermindering waar Opec part noch deel aan had. Volgens de initiatiefnemers moet de wereldolieproductie met zo'n 1,5 tot 2 miljoen vaten per dag worden verminderd om weer op een redelijk prijspeil van 18 dollar per vat te komen.

Negen van de elf Opec-landen en drie producenten buiten het kartel: Mexico, Oman en Egypte, hebben intussen een aandeel in de vermindering vanaf 1 april beloofd of aangekondigd: alles bij elkaar 1.295.000 vaten per dag. Noorwegen, Rusland en Maleisië beraden zich nog over een bijdrage. Dat heeft de prijzen gisteren met 10 procent omhooggehaald.

Maar vanochtend was er weer een lichte afvlakking op de termijnmarkt in Londen, tot 14,80 dollar per vat (159 liter) voor de toonaangevende Noordzee-olie Brent. De markt is nog niet tevreden: eigenlijk moet er 3 miljoen vaten op de aanvoer worden gekort, omdat het verbruik in het tweede kwartaal lager wordt en er plaats gemaakt moet worden voor de Iraakse olie.

Venezuela en Nigeria, twee belangrijke olielanden binnen Opec die verantwoordelijk waren voor de overproductie, lappen de Opec-quota echter aan hun laars en blijven ondanks een reductie te veel exporteren. De strijd om het marktaandeel gaat dus door. De Venezolaanse olieminister Erwin Arriëta gaf dat gisteravond in Caracas volgens het persbureau Reuters openlijk toe: “Dit akkoord behelst een tijdelijke maatregel om een teveel aan olie uit de markt te halen, zonder dat de grootste producenten marktaandeel verliezen.”

Arriëta maakte het voor Opec nog erger met zijn voorspelling dat Opec zijn enige instrument gaat verliezen: “Het quota-systeem behoort nu al tot het domein van de geschiedenisboeken. We zijn in een nieuwe era van de internationale olie-relaties aanbeland en Venezuela heeft een dominante rol behouden.”

Opec heeft in 1987 haar falende beleid van prijscontrole vervangen door een even wankel systeem voor beheersing van de productie door quota vast te stellen. Volgens Arriëta hebben de niet-Opec landen daar geen enkel vertrouwen meer in omdat het niet wordt nageleefd. “We hebben onszelf en elkaar belogen en verloren daarmee onze kredietwaardigheid bij onafhankelijke producenten.”

    • Theo Westerwoudt