Mythen en werkelijkheid

Deze week valt de rechterlijke uitspraak over Maurice Papon, die tussen 1942 en 1944 als jong ambtenaar de taak had de konvooien te organiseren waarmee zeker 1.500 joden uit Bordeaux naar Auschwitz werden gedeporteerd. Het maandenlange proces tegen de nu 87-jarige, waarin 133 getuigen pro en contra en 22 advocaten voor de tegenpartijen zijn opgetreden, loopt naar zijn climax.

Woensdag begon het requisitoir van de advocaat-generaal, dat de procureur-generaal de dag daarna zou afsluiten met de eis van twintig jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan misdaden tegen de menselijkheid. Het is geen vooruitlopen op het vonnis en nog minder een uitspraak over Papons schuld of onschuld, wanneer hier nu één regel uit het betoog van de advocaat-generaal nader wordt geanalyseerd.

Na er de nadruk op te hebben gelegd dat het in het proces tegen Papon niet ging om het gedrag van de Fransen onder de Duitse bezetting, noch om het bewind van Vichy noch om het verzet, zelfs niet om de joden, zei de advocaat-generaal: “Dit proces is dat van de Republiek tegen een man die beschuldigd wordt van misdaden tegen de menselijkheid.”

Dat is dan dezelfde Republiek die Papon al dadelijk na de bevrijding in 1944 gepromoveerd heeft tot prefect, hem later tijdens de oorlog in Algerije een hoge functie aldaar heeft verleend, vervolgens - onder president De Gaulle - tot prefect van politie in Parijs heeft benoemd en ten slotte - onder president Giscard d'Estaing - tot minister van de Begroting. (Dat het in de eerste gevallen door de Vierde Republiek gebeurde en in de volgende door de Vijfde, maakt hier niets uit.) Er wordt hier, met andere woorden, gewerkt met de mythe dat de Republiek door de jaren heen niet alleen onveranderlijk is, maar ook onaantastbaar en onschendbaar. Afzonderlijke Fransen mogen fouten, ja misdaden hebben begaan, de Republiek zelf nooit. Zij blijft de koele, strenge Marianne, wier beeltenis postzegels en burgerzalen tooit.

Het is krachtens diezelfde mythe dat president De Gaulle en zijn opvolgers - tot en met de socialist Mitterrand - de staat van Vichy, die van 1940 tot 1944 over Frankrijk regeerde, als nul et non-advenu - als niet bestaan hebbend - beschouwden, wat betekende dat Frankrijk zich niet verantwoordelijk achtte voor de misdaden die in de naam van die niet bestaande staat, ook indien door Fransen bedreven, begaan waren.

President De Gaulle's mythevorming ging nog verder: hij beweerde dat sinds 1940, toen hij vanuit Londen de Fransen tot voortzetting van de oorlog tegen de Duitsers opriep, Frankrijks legitimiteit altijd bij hem had berust - dus ook in de jaren tussen 1946 en 1958, toen hij niet aan de macht was. Het was de mythe van het Frankrijk dat één was geweest in zijn verzet tegen Duitsland, die bovenop de mythe van de onveranderlijke Republiek kwam.

De werkelijkheid was natuurlijk anders. In de eerste plaats heeft het toenmalige, wettig gekozen parlement in 1940 de Republiek afgeschaft en daarvoor in de plaats de Franse staat onder maarschalk Pétain gesticht. De meeste ambtenaren en militairen zagen daarin dus de wettige staat. In de tweede plaats kon de staat zich lange tijd in grote populariteit bij een meerderheid der bevolking verheugen.

Het is vooral teneinde de mythen van het onveranderlijke Frankrijk, één in verzet, te bestendigen dat opeenvolgende presidenten, na de 'bijltjesdagen' van 1944, niet al te veel werk wilden maken van vervolging van Franse collaborateurs (behalve de onmiskenbare oorlogsmisdadigers). Een andere reden, die eigenlijk de mythe van het Frankrijk één in verzet logenstrafte, was dat zij de tijd gekomen achtten de wonden van de bezettingsjaren te helen.

Merkwaardig genoeg was het de gaullist president Chirac die voor het eerst, in november 1995, Frankrijk - dus niet alleen individuele Fransen - medeschuldig verklaarde aan de deportatie en dood van zeventigduizend joden. Deze schuldbekentenis riep het protest op van vele Fransen - niet alleen gaullisten, maar ook de linkse socialist Chevènement, nu minister van Binnenlandse Zaken. De advocaat-generaal in het proces-Papon herstelt nu de mythe.

Maar zo'n mythevorming is geen Frans monopolie. Per slot van rekening erkent het Vaticaan in zijn verklaring van vorige week over de Holocaust de 'vergissingen en tekortkomingen' van zonen en dochters van de kerk, en betreurt het die diep, maar het erkent geen schuld van de kerk. Integendeel: met instemming wordt een rede uit 1997 van de tegenwoordige paus aangehaald, waarin deze de 'verkeerde en onrechtvaardige interpretaties' over de joden brandmerkt die 'in de christelijke wereld' de ronde deden, met de tussenzin: “Ik zeg niet: van de kant van de kerk als zodanig.” De kerk als zodanig blijft dus zonder schuld, evenals natuurlijk haar hoofd - wie dat ook geweest is.

Bisschop Van Luyn van Rotterdam vindt deze verklaring kennelijk niet voldoende. In de krant van zaterdag spreekt hij van een 'halve stap'. Zij kan volgens hem niet het 'finale antwoord' van de kerk zijn. Is ruim vijftig jaar dan niet voldoende voor het formuleren van het 'finale antwoord'? Ligt de verklaring niet veeleer hierin dat de kerk als zodanig, op straffe van verlies van geloofwaardigheid bij nog vele miljoenen, eigen feilbaarheid niet kan, niet mag erkennen?

In wezen was het niet anders bij de communistische partij. Individuele communisten konden fouten, ja misdaden begaan. Zelfs Stalin bleek op een goed ogenblik, weliswaar na zijn dood, niet onfeilbaar te zijn geweest. Maar de partij zelf had altijd gelijk - al verklaarde ze de ene dag heilig wat ze de volgende dag verketterde. “Die Partei hat immer recht...”, zongen de Duitse communisten.

Maar voordat wij Nederlanders ons weer wentelen in zelfgenoegzaamheid en ons vrolijk maken over anderen, die altijd 'gek' zijn, moeten wij erkennen dat ook wij onze mythes koesteren. Koningin Wilhelmina deed, vooral in en na de oorlog, druk aan mythevorming. Amsterdam dankt er zijn wapenspreuk 'Heldhaftig, Vastberaden, Barmhartig' aan, waarvan de waarheid de toets van een kritisch historisch onderzoek vermoedelijk niet zou overleven.

Ja, waarop berust onze vrijwel onbetwiste monarchie anders dan op een mythe? Hebben de wettige nakomelingen van de heersende koning(in), en dan bij voorrang de mannelijke afstammelingen, per definitie de beste kwaliteiten om de functie van constitutioneel staatshoofd te vervullen? Dat kan niet worden volgehouden. En toch leven wij heel vredig met die mythe, is zij zelfs onmisbaar bestanddeel van onze nationale eenheid - tot zij te zeer in strijd zou raken met de werkelijkheid.