Kijken en luisteren naar drie lucide stakkers

Voorstelling: Shout across the river van Stephen Poliakoff door De Appel. Regie, vertaling, bewerking, decor: Jeroen Terlingen. Spel: Robert Prager, Carline Brouwer, Arend de Geus, Mattijn Hartemink. Gezien: 20/3, Appeltheater, Den Haag. Nog te zien: aldaar t/m 30/5. Elders vanaf 1/5. Inl. (070) 352 33 44.

Geen woord - om het met enige overdrijving te stellen - uit Shout across the river, een toneelstuk van de Engelse toneelschrijver Stephen Poliakoff, zullen mensen in werkelijkheid ooit zo zeggen zoals hij het opschrijft, en toch schrijft hij realistisch toneel. Poliakoff gaat alleen een stap verder dan schrijvers als Arthur Miller, Tennessee Williams en zijn landgenoot Harold Pinter en vervlecht rauwe alledaagsheid met eigen, gecondenseerd gedachtengoed. Hij geeft zijn personages weliswaar karaktertrekken, maar voor minstens de helft zijn ze een idee, een fictie, een weerspiegeling van de visie van de schrijver op de werkelijkheid.

Daarom kan de bikkelharde dochter Christine tegen haar moeder zeggen: “Jij bestaat niet meer. (-) Ik heb jou gemaakt. Bedacht en verzonnen.” Drie zinsneden uit een litanie die veel te abstract is om uitgeschreeuwd te worden door een meisje van haar postuur en achtergrond, zo intelligent als ze zijn mag. Ze is de woordvoerder van het soort idee dat schrijvers van een eerdere generatie dan die van Poliakoff (1952) impliciet verwerkten in hun uitvoerige nabootsingen van de werkelijkheid - en nooit hardop verwoordden. De staat van de verhoudingen tussen hun personages moest op den lange duur maar blijken, voor de goede verstaander.

Poliakoffs realisme is tegelijkertijd direct en verkapt, het is kitchensink, bevolkt met personages die zichzelf en hun situatie geen moment in de hand hebben, maar wel precies weten wat er schort aan henzelf en hun omstandigheden. Het zijn drie lucide stakkers, die hun onvermogen en uitzichtloze situatie kunnen oppakken en bekijken als voorwerpen - in een stuk zonder noemenswaardige plot, ontwikkeling of handeling. Het heeft wel wat, om daar naar te kijken en te luisteren. Gevaar is alleen dat de toeschouwer het getoonde ter kennisgeving aanneemt, zonder betrokkenheid, omdat op fantasie en inlevingsvermogen geen enkel beroep wordt gedaan.

Dat gevaar heeft regisseur Jeroen Terlingen niet kunnen bezweren, al klopt zijn enscenering wel naar mijn gevoel. Het decor bestaat uit weinig meer dan een schamele wand, die tezamen met wat meubelen aan weerszijden van de ondiepe speelvloer het huis van de familie Forsyth verbeeldt. Een erker in de wand steekt naar binnen in plaats van naar buiten, als een observatiepost voor de buitenwereld, bestaande uit de vrijer van de dochter en een ambtenaar. Ze slaan een hels huis clos gade, waarvan naast de terroristische dochter (Mirjam Stolwijk) en de zwakke en hysterische moeder (Carline Brouwer) een vrijwel autistische broer en zoon (Arend de Geus) deel uit maakt.

Met de wat schrille Brouwer had ik moeite, haar rol van gemangelde sloof past misschien eenvoudigweg niet bij haar. Behalve spel is er tenslotte ook nog zoiets als casting - en die lijkt in dit geval minder gelukkig. Stolwijk en De Geus slagen er wel in hun personages geloofwaardig te spelen en er tegelijkertijd afstand van te bewaren. Hoe onwaarschijnlijk de gedachten die ze uitspreken en hun commentaar op de verrotte wereld waarvan ze het product zijn, ook klinken, je ervaart ze als natuurlijk en logisch.