Hypnose lastig juridisch probleem

De Hoge Raad heeft uitgesproken dat een verklaring afgelegd onder hypnose niet als bewijsmiddel geldt. Jan Leijten constateert dat er nogal wat haken en ogen aan deze kwestie zitten.

Bij zijn arrest van 17 maart heeft de Hoge Raad beslist dat een verklaring van een getuige, afgelegd onder (forensische) hypnose geen bewijskracht heeft. Deze absolute uitspraak, die geen uitzonderingen toelaat, vindt slechts zijn beperking in de toevoeging: bij die stand van zaken. Op welke stand van zaken wordt hier gedoeld? Zo kort als mogelijk gezegd komt die hierop neer: 1. Er bestaat in wetenschappelijke kringen onzekerheid over de objectieve betrouwbaarheid van mededelingen onder hypnose gedaan. 2. Het is algemeen bekend dat bij een onder hypnose gebrachte persoon een verandering in de bewustzijnstoestand optreedt; daarom kan men zich afvragen of de verklaring, zoals de wet eist, in vrijheid is afgelegd. 3. Het is niet mogelijk om in een concreet geval tot een verantwoord oordeel te komen omtrent het waarheidsgehalte van de onder hypnose afgelegde verklaring.

Zolang wetenschappelijk niet duidelijk wordt dat zo'n verklaring in het algemeen betrouwbaar is, zolang de wetenschap ons niet duidelijk kan maken wat het gevolg is van de verandering in het bewustzijn onder invloed van hypnose, zolang tenslotte in een concreet geval de betrouwbaarheid van de onder hypnose uitgebrachte verklaring niet getoetst kan worden, heeft de onder hypnose afgelegde verklaring zonder meer geen kracht van bewijs in een strafzaak.

Aannemelijk is dat deze beslissing ook de (bekennende) verklaring van een verdachte, onder hypnose afgelegd, voor het bewijs onbruikbaar maakt, zelfs als die verdachte in het gebruik van dit middel heeft toegestemd en hem op de bezwaren ervan gewezen is. In een beslissing van medio 1984 heeft de Hoge Raad al beslist, dat zo'n verklaring wel ter ontlasting van de verdachte bruikbaar is. Maar de Hoge Raad liet toen onbeantwoord de thans besliste vraag of de verklaring ter belasting mag worden gebruikt. Simpel omdat dit laatste volgens de Hoge Raad in dat geval niet had plaatsgevonden. De huidige belangrijke en ingrijpende beslissing geeft nog geen uitsluitsel over de vraag of zo'n verklaring ter opsporing mag worden gebruikt. Ik acht het waarschijnlijk dat het langs deze weg op het spoor komen van een misdrijf en de dader(s) ervan toelaatbaar is als de bewijsmiddelen, waarvan de onder hypnose afgelegde verklaring geen deel uitmaakt, het wettig bewijs op overtuigende wijze tot stand brengen. Wel zou ik menen dat deze opsporingsmethode, die van bijzondere en delicate aard is, overeenkomstig artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering zo spoedig mogelijk in de wet moet worden geregeld.

Het was geen kleine zaak waarin deze beslissing werd genomen. De beschuldiging luidde: moord, gepleegd op een ex-echtgenote kort na de scheiding, die de verdachte erg had geschokt. Het middel was bizar. De verdachte en zijn ex-vrouw zouden gaan winkelen in Schiedam om 'naar speelgoed en schoenen' voor hun vijf kinderen om te zien. De verdachte parkeerde zijn auto aan de waterkant met de neus in de richting van het water. Vervolgens stapte hij uit, waarna de auto in het water gleed. De vrouw, die na een ruzie op de achterbank was gaan zitten, verdronk. De man werd telastgelegd dat hij dit alles beraamd had om zijn vrouw van het leven te beroven. Hij ontkende. Zijn vrouw zou onbewust de auto in de versnellingsstand hebben gebracht waardoor deze ging glijden en in het water terechtkwam. Op het leven van de vrouw waren twee verzekeringen afgesloten van in totaal 350.000 gulden. De verdachte was steeds de eerste begunstigde. In hoger beroep achtte het hof bewezen dat de verdachte zijn ex-vrouw met voorbedachten rade van het leven had beroofd en legde hem, na een eis van 15 jaar, 12 jaar gevangenisstraf op.

Binnen het totaal van de bewijsmiddelen lijkt de verklaring van de onder hypnose gebrachte getuige, die aan de overkant van het water stond en de auto in het water zag glijden, van maar betrekkelijk belang. Want die man had zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een 'gewone' verklaring afgelegd die duidelijker was dan die welke hij onder hypnose aflegde. Deze laatste luidde:

Ik zie eerst de auto.

Hij staat aan de portierskant.

Stuurkant.

Hij doet niks. Auto valt. Hij doet niks.

Waartoe was deze verklaring nog nodig nadat de getuige bij de rechter-commissaris niet onder hypnose had verklaard:

Toen ik kwam aanrijden op de haven te Maassluis was mij al de auto aan de overzijde van het water opgevallen. Ik ben uit mijn auto gestapt. De auto rolde over de kaderand heen het water in. Toen hij over de kaderand heenrolde, zag ik dat er een persoon bij de bestuurderszijde stond. Hij stond gewoon stil bij het bestuurdersportier.

Maar wat daarvan zij, hiermee is bij de huidige stand van zaken de verklaring onder hypnose onbruikbaar voor het bewijs. Wordt zij toch gebruikt, dan tast zij de hele bewijsvoering aan.

De beslissing van de Hoge Raad is duidelijk, nogal kort en, zoals bij ons gebruikelijk, niet of amper gedocumenteerd. Het is mij vaak opgevallen dat het Supreme Court van de Verenigde Staten in een geval als dit allerlei wetenschappelijke en maatschappelijke argumenten met vindplaats en al vermeldt en laat meewegen. Dat gemis is echter niet zo ernstig als het lijkt. Zowel de schriftuur van advocaat Spong als de conclusie van de waarnemend AG bij en voorheen lid van de Hoge Raad, Keijzer, staat vol met gegevens van dien aard. Zij komen langs andere wegen tot eenzelfde slotsom: verklaring onder hypnose is onbruikbaar als bewijsmiddel. En de Hoge Raad volgt hen. Wie schriftuur en conclusie aandachtig doorleest, beide achttien bladzijden lang, kan alleen maar zeggen dat de Nederlandse rechtspraak in zijn top heel hoog staat. Maar als top ook wel een beetje eenzaam.