Cruijff op kop

Na honderd voetballers uit heden en verleden geselecteerd te hebben, heeft Henk Spaan zijn eindstreep bereikt. Uiteraard is Johan Cruijff de grote winnaar geworden en werd Marco van Basten eervol tweede. Daarna werd het verrassend: de kopgroep van vijf bestaat uit Faas Wilkes op de vijfde plaats, Willem van Hanegem vierde en ... Abe Lenstra derde.

Vermoedelijk maken de Friezen nu Spaan ereburger van Heerenveen en ridder in de orde van het Lenstraïsme, terwijl in Rotterdam de messen worden geslepen, omdat men daar met de beste wil van de wereld niet kan begrijpen waarom hun Wilkes twee plaatsen lager is geklasseerd. Maar het waren twee zeer verscheiden spelers. Aan meeverdedigen deed Wilkes niet; hij wachtte in alle gemoedsrust op de volgende kans om briljant aan te vallen. Wilkes had een moorddadig schot in beide benen, Abe niet, maar beiden scoorden aan de lopende band. De Fries was veelzijdiger, maar gemakzuchtiger en sterk afhankelijk van geniale bevliegingen. Bleven die uit, dan speelde zijn ploeg met tien man. Daarom had ik Wilkes op drie gezet en Lenstra op vijf.

Een van de verdiensten van Willem van Hanegem was, dat hij zich in de glansperiode van Oranje ondergeschikt maakte aan Cruijff. Die wetenschap heeft Spaan er mee toe gebracht om de oud-Feyenoorder in de kopgroep te plaatsen. Frank Rijkaard werd zesde, Rob Rensenbrink zevende, Johan Neeskens achtste, Ruud Gullit negende en Rinus Israel tiende. Dat laatste verbaasde mij.

Israël was een bikkelharde, bij tijd en wijle gemene centrumverdediger. En hij kon ook succesvol aanvallen, getuige zijn doelpunt in de Europa-Cupfinale tegen Celtic in 1970. Maar verdient hij het om hoger te staan dan bijvoorbeeld Bergkamp? Hierover zullen aan de toog of in de huiskamer harde woorden kunnen vallen, maar dat is onvermijdelijk en eigenlijk ook wel leuk.

Zo maak je in de Haagse Schilderswijk geen populaire vriendschappen als je koppig volhoudt dat Rensenbrink het verdient veertien plaatsen gunstiger te staan dan die andere linkervleugelartiest Bertus de Harder. Ook zal men tevergeefs speuren naar Bok de Korver (uitblinker in de jaren 1910 en vervolgens), Géjus van der Meulen en Just Göbel. Die twee waren doelverdedigers en wel zeer bekwame. Heeft Spaan iets tegen keepers? Ik kan het moeilijk geloven, maar er zijn tekenen die in die richting wijzen. Ik hoorde dezer dagen Hans Kraay senior zeggen, dat zeer vermoedelijk Edwin van der Sar de beste doelman ter wereld is. Toch drong hij bij Spaan niet tot de tien besten door. Hij is vormvast, uitermate betrouwbaar en heeft voor Ajax en Oranje al enkele wedstrijden gewonnen.

Henk Spaan is klaar. Het moet een heel werk zijn geweest. Wat mij dankbaar stemt, is het gevoel dat hij technische voetballers hoog inschat. Ja, ook de doorduwers (Israel, Neeskens bij de eerste tien), maar Willy Dullens, die helaas maar zo kort kon spelen, staat op elf. Bergkamp (verrassend) op twaalf. Persoonlijk vind ik, dat hij op tien had mogen staan.

De enige doelverdediger die hoog werd ingeschaald was Jan van Beveren: een fantastische lijnkeeper, maar buiten zijn doelgebied matig. Denk maar aan de affaire met Cruijff die er spijkerhard voor heeft gezorgd dat 'Lange Jan' uit de nationale ploeg verdween. Komt Spaan over een jaar of tien met een aangevulde lijst? Het blijft een aardig tijdverdrijf voor de lezers.