Antistollingsonderzoek (1)

In NRC Handelsblad van 19 maart werd uitgebreid ingegaan op de resultaten van het zogenoemde Spirit onderzoek. In dit onderzoek werd behandeling met aspirine vergeleken met zogenaamde orale antistollingsmiddelen bij patiënten die een kleine beroerte hadden doorgemaakt.

Beide middelen worden al vele jaren in de praktijk toegepast zodat hier geenszins sprake is van een nieuwe behandeling. Zowel aspirine als orale antistollingsmiddelen beogen de vorming van bloedstolsels te verminderen. Hierdoor geven ook beide een verhoogd risico op bloedingen. Uiteindelijk gaat het erom welk middel de beste balans heeft van goede werking bij zo min mogelijk bijwerkingen. Voor het herseninfarct was er hiernaar nog geen goed onderzoek gedaan.

Tot een aantal jaren geleden werden vele patiënten na het doormaken van een herseninfarct behandeld met orale antistollingsmiddelen. De resultaten van het Nederlands TIA Onderzoek (een onderzoek gedaan door dezelfde onderzoeksgroep) toonden enkele jaren geleden dat patiënten met een klein, voorbijgaand herseninfarct (TIA) goed met aspirine konden worden behandeld. Deze patiënten hebben onbehandeld een groot risico op ernstige ziekten (beroerte, hartinfarct, overlijden) van ongeveer 10 procent per jaar. Met aspirine kan dit met ongeveer een vijfde worden verminderd. Een mooi maar toch mager resultaat.

Uit de resultaten van diverse andere onderzoeken kon vermoed worden dat orale antistollingsbehandeling effectiever was. Zo bleek in een Europees onderzoek bij patiënten met een kleine beroerte bij hartritmestoornissen orale antistolling aanmerkelijk (bijna tweemaal) beter. De enige manier om duidelijkheid te krijgen was een direct vergelijkend onderzoek tussen aspirine en orale antistolling, zoals het Spirit onderzoek. Dit onderzoek werd zorgvuldig en in overleg met vele internationale deskundigen volgens de geldende regels opgezet.

De studie werd afgebroken omdat bij een tussentijdse analyse bleek dat er in de groep patiënten met orale antistolling meer bloedingen en met name meer dodelijke bloedingen waren opgetreden. Dit betekent dan niet dat er “sprake moet zijn geweest van een opeenstapeling van fouten” (NRC Handelsblad, 19 maart). De gebruikte dosering van beide behandelingen was verantwoord, het testen van proefdieren is niet aan de orde en de beoordeling van de onderzoeksresultaten moet in dit soort situaties zorgvuldig gebeuren. Dit betekent ook dat tijdens een onderzoek regelmatig een tussentijdse analyse plaatsvindt. Indien er onverwachte complicaties bij de ene of de andere therapie zijn opgetreden, kan het onderzoek gestopt worden. En dat is precies wat er hier is gebeurd.

Natuurlijk is het te betreuren dat er een aantal mensen is overleden, maar onderzoek naar de behandeling van een ernstige ziekte als deze wordt alleen uitgevoerd als men niet weet wat de beste behandeling is. Dan kan de nieuwe behandeling beter blijken dan de oude, maar het kan ook omgekeerd. Waar het om gaat is dat het hier een patiëntengroep betreft met een ernstige ziekte, waarbij het noodzakelijk is te blijven zoeken naar een verbetering van de behandeling.