'Soms werk ik tot vier uur 's nachts'

Vandaag is de musicoloog prof.dr. Eduard Reeser 90 jaar geworden. Vanaf vandaag is ook deel negen te koop van zijn meest prestigieuze en belangwekkende publicatiereeks: Alphons Diepenbrock: Brieven en documenten. “Ik ben een ijverig baasje geweest, dat moet ik toegeven. En in mijn vrije tijd was ik ook nog hoogleraar.”

De reeks Alphons Diepenbrock: Brieven en documenten is te bestellen bij de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, Postbus 1514, 3500 BM Utrecht. (Ca. ƒ 100,- per stuk) BILTHOVEN, 23 MAART. Hij zal er niet zijn vandaag, professor Eduard Reeser. De bloemen en attenties ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag zullen met veel dank in ontvangst worden genomen door de huishoudster. Nederlands bekendste musicoloog begrijpt dat de buitenwereld hem graag geluk wil wensen met alweer een bereikte mijlpaal, en hij neemt de aandacht rondom zijn persoon gelaten. Maar het liefst wil hij nog even met rust worden gelaten. In ieder geval tot december. Bij leven en welzijn zal dan het tiende en laatste deel (alsmede het cumulatief register) verschijnen van de boekenreeks Alphons Diepenbrock: Brieven en documenten.

Met circa 6.500 pagina's is deze serie een van de omvangrijkste bronnenpublicaties die ooit in ons land werden uitgegeven. De voltooiing van de prestigieuze serie is zelfs Reeser een feestje waard. Het belang ervan kan niet worden onderschat, vindt de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, die de boeken uitgeeft. “De reeks legt niet alleen het gedachtegoed van een belangrijke Nederlandse, laat negentiende-eeuwse, vroeg twintigste-eeuwse componist bloot”, zegt Joost van Gemert, voorzitter van de Vereniging, “tegelijkertijd geeft deze publicatie een unieke kijk op het milieu van de Nederlandse culturele intelligentsia van die tijd.”

Het is een kwart eeuw geleden dat de nestor van de Nederlandse muziekwetenschap met emeritaat ging. Dat het bereiken van de mijlpaal van de pensioengerechtigde leeftijd voor Reeser niet tevens een professionele grenspaal zou zijn, begreep eenieder die hem kende. Het was een legitiem moment om zich althans voor een deel terug te trekken uit de vele bestuurlijke functies die hij bekleedde en zich te concentreren op het onderwerp dat hem al sinds zijn studententijd bovenmatig heeft beziggehouden: Alphons Diepenbrock.

In zijn Bilthovense werkkamer, omringd door een imposante hoeveelheid boeken (bij zijn pensionering werd de omvang van zijn bibliotheek geschat op ruim tienduizend banden), werkt Reeser nog vrijwel dagelijks aan het monumentale Diepenbrock-project. “Ik heb het voordeel dat mijn gezondheid heel behoorlijk is en dat ik een geheugen heb als een ijzeren pot. Soms zit ik tot vier uur 's nachts te werken, maar ik ben geen monnik in een cel die maar door kan blijven gaan. Ik heb ook nog een doodnormaal sociaal leven, met vrinden en kennissen en familie.”

Zaterdag werd hem het negende deel overhandigd van de Diepenbrock-documentenreeks. “Het omslag is voor mij nog altijd het grootste geschenk. Als ik het zo voor me zie in de typografie van Helmut Salden, zeg ik, het is een bijou van een boek.” De oorsprong van de reeks gaat terug tot de oorlog, toen Reeser de duizenden brieven van en aan componist Alphons Diepenbrock begon te systematiseren. In 1956 werd de beslissing voor de huidige opzet genomen. In de veronderstelling dat een verantwoorde biografie eerst dan kan worden gerealiseerd wanneer al het bronnenmateriaal is uitgeven, toog Reeser aan het werk. In 1962 verscheen het eerste deel, dat in nauwe samenwerking met Diepenbrocks dochter Thea Vermeulen-Diepenbrock tot stand kwam.

Vijf jaar geleden bood ook de kleindochter van Diepenbrock, Odilia Vermeulen, haar diensten aan. In een periode waarin uitgeverijen nog slechts computerschijfjes accepteren, was zij een geschenk uit de hemel voor Reeser, die zelfs ambivalent staat tegenover het gebruik van een typemachine. Sindsdien is het project in een stroomversnelling gekomen. “In het begin was het zogezegd een eenmanszaakje en deed ik jaren over een deel”, zegt Reeser. Nu, in 1998, verschijnen zelfs twee boeken in een jaar tijds. Odilia Vermeulen en haar echtgenoot, de musicoloog Ton Braas, bezoeken voor het project de archieven en bibliotheken die Reeser door zijn hoge leeftijd nauwelijks meer kan bezoeken.

Reeser en Diepenbrock worden veelal in één adem genoemd, maar Diepenbrock is slechts een van Reesers specialismen. De boekerij in zijn werkkamer spiegelt zijn vele interesses. Naast, uiteraard, tal van musicologische studies herbergt Reesers bibliotheek literatuur, boeken over kunst- en cultuurgeschiedenis, godsdienst, filosofie, luchtvaart, maar even goed over sport en techniek. Reeser heeft altijd 'de muziek in de gemeenschap der kunsten' beschouwd, zoals ook de titel luidt van de rede die hij in 1947 uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de cultuurgeschiedenis der muziek.

Reeser was toen al een bekende persoonlijkheid. Hij was muziekredacteur geweest van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, 'regeeringsadviseur voor muziek' tijdens het eerste naoorlogse kabinet, en lid van de Eereraad voor de Muziek, die Willem Mengelberg vanwege zijn rol in de oorlog veroordeelde tot een levenslang verbod om in ons land te dirigeren.

Reeser heeft in zijn lange leven zo veel en zo veel verschillende dingen gedaan, dat het onmogelijk is zijn veelzijdigheid adequaat onder woorden te brengen. De lijst van zijn ambten en functies omvatte in 1973 vijfenhalve pagina, zo leert de Chronologie die hem werd overhandigd bij zijn afscheid als hoogleraar. De selectieve lijst van zijn publicaties telde indertijd al meer dan vijftig gedrukte pagina's.

Reeser promoveerde in 1939 op een proefschrift over De klaviersonate met vioolbegeleiding in het Parijsche muziekleven ten tijde van Mozart. Als kunsthistoricus heeft hij zich verregaand verdiept in de bouwkunst van de achttiende eeuw. Na zijn pensionering zagen belangwekkende studies over leven en werk van Mahler, en over een tijdgenoot van Mozart, Johann Gottfried Eckard, het licht.

Naast kunst heeft Reeser een passie voor sport. “Ik ben een grote voetballiefhebber. Aan sport heb ik altijd veel gedaan, en met plezier, maar ik had er eigenlijk geen aanleg voor. Schaatsenrijden kon ik echter behoorlijk goed. Ik heb de Elfstedentocht drie keer gereden in de oorlog, al heb ik hem maar één keer kunnen voltooien. De eerste keer zijn alle tochtrijders ondergesneeuwd, de tweede keer ben ik gevallen. De derde keer heb ik de tocht ten slotte volbracht en daar ben ik nog altijd erg trots op. Dat was een verschrikkelijke onderneming. Ik kreeg extra voeding omdat ik kracht tekortkwam. Mijn vrouw zei dat ik gek was onder deze hoogst inspannende omstandigheden toch te willen rijden.

“Ik ben een ijverig baasje geweest, dat moet ik toegeven. En in mijn vrije tijd was ik ook nog hoogleraar”, grapt hij. Als in december het Diepenbrock-project is voltooid, is Reeser voornemens zich te storten op de thematische catalogus van het oeuvre van de componist. “Dat wou ik ook nog even afmaken voordat ik er niet meer ben. En als dat gereed is, kan ik misschien eindelijk die bloemlezing samenstellen van artikelen van mijn hand waarvan ik vind dat ze nog enigszins de moeite waard zijn opnieuw te worden afgedrukt.” Op zijn negentigste gedraagt Reeser zich nog altijd als het mensgeworden understatement, zoals collega Helene Nolthenius hem een kwart eeuw geleden typeerde.