Lagere olieproductie: prijsherstel

ROTTERDAM, 23 MAART. De grote olieproducerende landen hebben gisteren besloten de prijsval op de internationale markten tot staan te brengen door een vermindering van de productie.

Vanochtend reageerde de termijnmarkt in Singapore al met een prijsverhoging van 1,5 dollar per vat (159 liter) tot ruim 16 dollar voor de toonaangevende Noordzee-olie Brent. De termijnmarkt in Londen opende met een stijging van 1,68 dollar op 14,90 dollar per vat voor Brent.

Het aandeel Koninklijke Olie steeg vanochtend op de Amsterdamse effectenbeurs met zes procent. Grote oliemaatschappijen zijn gevoelig voor sterke bewegingen op de oliemarkt, omdat de prijzen van brandstoffen die hun raffinaderijen produceren daardoor stijgen.

Een woordvoerder van Shell benadrukte vanochtend echter dat het korte termijneffect op de benzine- en dieselprijzen aan de tankstations beperkt is omdat slechts 10 tot 15 procent van de pompprijzen bestaat uit productiekosten. Hooguit zouden de prijsverlagingen met enkele centen per liter van vorige week deze week weer gecorrigeerd kunnen worden.

In een geheime vergadering in de Saoedische hoofdstad Riad gaven Saoedi-Arabië, Venezuela en Mexico gisteren een voorzet voor de productievermindering die in totaal 1,6 tot 2 miljoen vaten per dag moet gaan bedragen vanaf 1 april, op de totale wereldproductie van 75 miljoen vaten per dag. Een vermindering van 2 miljoen vaten zou neerkomen op 2,7 procent van het totaal. Momenteel is er nog sprake van een overproductie van 4 procent.

Voor het eerst in de geschiedenis doet Mexico - dat niet tot het Opec-kartel behoort - mee aan productievermindering. Oorzaak daarvan is dat Mexico het zwaarst getroffen is door de prijsdaling van de afgelopen tijd. Vorige week werd de Mexicaanse olie volgens de staatsoliemaatschappij Pemex voor slechts 9,40 dollar per vat verhandeld, het laagste niveau in 14 jaar.

Saoedi-Arabië, de grootste olie-exporteur ter wereld, kondigde gisteren de hoogste bijdrage in de productievermindering aan, van 300.000 vaten per dag, ingaande 1 april, gevolgd door Venezuela met 200.000 vaten en Mexico met 100.000 vaten. Vanochtend volgden Iran met 140.000 vaten per dag, Koeweit met 125.000 vaten, de Verenigde Arabische Emiraten met 125.000, Libië met 80.000, Algerije met 50.000 en Oman (geen lid van Opec) met 40.000 vaten per dag. Noorwegen, de tweede olie-exporteur na Saoedi-Arabië, liet weten nog niet mee te willen doen maar sluit een productievermindering in de naaste toekomst niet uit. De Iraakse regering liet weten aan deze actie niet mee te doen. Dit land is in onderhandeling met de Verenigde Naties over een verruiming van zijn export om meer geld te kunnen besteden aan de import van voedsel en medicijnen voor zijn bevolking die nu ruim zeven jaar zucht onder het internationale economische embargo als straf voor de invasie van Koeweit in augustus 1990.

Ook de Indonesische regering (een van de elf Opec-leden) heeft nog geen bijdrage in de productievermindering aangekondigd. Indonesië, een relatief kleine olie-exporteur (1,39 miljoen vaten per dag) overschrijdt zijn Opec-quotum niet. Venezuela, Nigeria en Qatar hebben dat wel gedaan. De Indonesische minister Kuntoro Mangkusubroto van Energie zei gisteravond in Jakarta dat Opec nu beter zijn besluit van november om het gemeenschappelijk productieplafond met 10 procent te verhogen, kan terugdraaien.

De actie van Saoedi-Arabië, Venezuela en Mexico - buiten Opec om - illustreert dat Opec zijn leidende rol verliest. Een geplande spoedvergadering van Opec op 26 maart om een dergelijke noodmaatregel te nemen, mislukte.