Het verhaal gaat...

Het verhaal gaat dat het allemaal met woorden begon. De schepping van de wereld was een verbale daad: “En God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht.” Die God was kennelijk geen beeldhouwer of schilder, maar een dichter, meent de moderne joodse schrijver Amos Oz. De schepping van de wereld was het werk van een dichter. Woorden waren zijn instrument en hij was er dik tevreden over.

Oz is een van de meest geseculariseerde schrijvers van het huidige Israel. Toch is zijn werk doordrenkt met religieuze thema's. Dat blijkt ook uit zijn in 1986 in Groningen gehouden lezing 'De ogen des Heren'. In tegenstelling tot wat christelijke theologen graag doen, roept de schrijver roept God niet ter verantwoording, maar houdt hij hem op een afstand en gaat hij er net als de bijbelse verteller van uit dat de bijbelse lezer zijn eigen voorstellingsvermogen, zijn eigen ervaring en zijn eigen fantasie heeft.

Aan de lezer wordt het overgelaten om kleuren, geluid, dialoog en sfeer aan te brengen. Want bijna altijd lijkt het oudtestamentische bijbelverhaal de lezer te behandelen als medeproducent, zo niet als mede-auteur. Volgens Oz geeft de verteller je een paar wenken en 'aanzetjes' in de verwachting dat je uit eigen ervaring en fantasie de ontbrekende kleur en psychologie bijdraagt.

Heel anders dan de manier waarop Oz over de bijbel vertelt, gaat de Amsterdamse bijbelverteller Nico ter Linden te werk. Moet hij het vooral hebben van een vlotte, conference-achtige manier van presentatie waardoor God en andere bijbelse hoofdfiguren 'kind aan huis' bij de lezer of luisteraar worden, zo weet de Hebreeuwse bijbelverteller vooral afstand tot de Almachtige te bewaren. Volgens Oz verschilt het bijbelproza principieel van de mythen en legenden van andere oude volken. Waar de Grieken zich zouden hebben beijverd om tot in bijzonderheden vast te leggen wat iemand aan had, en wat elk personage vond van de anderen, hoe verdrietig hij of zij was als zij verdriet hadden of hoe blij of hoe jaloers, zo uiterst beknopt en spaarzaam is de bijbelse verteller in het algemeen op die punten. In bijbelverhalen worden woorden vaak alleen gebruikt als een pauze tussen de ene stilte en de volgende. Bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden lijken vermeden te worden: “en de Heer zag Abel en zijn offer aan. Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan.” Waarom? Stilte, duisternis, mysterie. En dan: “Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het geschiedde als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond en hem doodsloeg.” Zo maar, hup, aldus Amos Oz.

Morgen verschijnt het tweede deel van Ter Lindens vijfdelige vertelwerk 'Het verhaal gaat ...'. Het lijkt in weinig op het vorige deel uit 1996. Daarin vertelde Ter Linden de grote verhalen van de eerste vijf boeken van het Oude Testament, de verhalen van de aartsvaders en aartsmoeders. Heel anders van taal en toon zijn de verhalen uit het Nieuwe Testament in deel 2. Er valt volgens de schrijver minder te vertellen en meer uit te leggen. De dominee op zijn best: lerend en belerend.

Eerst vertelt hij verhalen uit het oudste evangelie (Marcus). Daarna volgt hij het Mattheus-evangelie op de voet met weglating van de passages die Mattheus aan Marcus ontleende en veranderde, herschikte en soms wist in te korten. Na deel 2 volgen nog drie delen. Deel 3 over grote en kleine profeten uit het Oude Testament, deel 4 met een keuze uit de bijbelboeken Job, Psalmen, Ezra, Nehemia en Daniël en uit de feestrollen Ruth, Hooglied, Prediker, Klaagliederen en Esther. In het laatste deel springt Ter Linden dan weer naar het Nieuwe Testament en sluit hij af met vertellingen uit de evangeliën van Lucas en Johannes en uit de boeken Handelingen en Openbaring. Opvallend is dat bijna een derde deel van de zesenzestig bijbelboeken voor hem geen bron voor navertelling vormen. Zo gaat hij volkomen voorbij aan de brieven van de apostel Paulus.

Bij zijn vertelwerk gaat Ter Linden in het algemeen uit van een vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. Welke NBG-vertaling hij gebruikt, zegt hij niet. Maar het zal vast en zeker niet de Groot Nieuws Bijbel (GNB) zijn die niet voor vaktheologen is bedoeld. Van deze populaire - op een brede, nauwelijks geïnteresseerde doelgroep gerichte - bijbelvertaling, is begin deze maand een nieuwe editie uitgekomen. Naar buitenlands voorbeeld verscheen in 1983 de eerste GNB en in 1996 een herziene versie. De uitgave die deze maand uitkwam, bevat veel aantekeningen en toelichtingen. Ook zijn er een handig overzicht van parallelle teksten, een lijst met citaten en register met eigennamen (Aäron tot en met Zerubbabel) in te vinden. Een tijdtafel (1800 voor tot 100 na Christus) en een topografisch register ontbreken niet. De nieuwe uitgave van het Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting ziet er goed verzorgd uit en is handig voor het nalezen van de bijbelteksten die aan Ter Lindens vertellingen ten grondslag liggen.