Een onverbiddelijke zelfmoord

Bitter is de Verbanning. Ned.3, 23.21-0.22u.

Klaus Mann kijkt naar de Amsterdamse grachten, prijst de schoonheid ervan en zegt dan dromerig: Es ist giftiges Wasser, Todeswasser. In de suggestieve televisiedocumentaire die debutant Bart van Esch over de schrijver Klaus Mann maakte, doordringt het doodsverlangen elke waarneming en iedere gedachte. Bitter is de Verbanning gaat vooral over gevoelens - en de middelen die Van Esch daarbij gebruikte zijn ten dele die van het drama.

In plaats van de echte Klaus Mann horen we de weke stem van de Duitse toneelspeler Bruno Ganz. En vaker dan de echte Mann zien we een acteur, zwijgend en dikwijls op de rug gefilmd: alleen, ver weg van de andere mensen.

De eerste jaren van zijn ballingschap, van 1933 tot 1937, bracht Klaus Mann door op heel veel verschillende Amsterdamse adressen en Van Esch filmde ze allemaal. Vergeeld ogen die kamers, gedompeld in een melancholieke avondzon of in het licht van de kaarsen, die de hoofdpersoon steeds weer trouw uit zijn koffer vist. Zoals hij ook in elke kamer een altaartje bouwt voor zijn dode vrienden: jonge Duitsers die niet naar een buurland vertrokken maar naar de andere wereld. Dolgraag zou hij zich bij hen voegen, maar Klaus, zoon van de grote humanistische schrijver Thomas, heeft een opdracht. Samen met andere emigranten wil hij tegen de barbarij van de nazi's ten strijde trekken en daartoe richt hij in Amsterdam een maandblad op: Die Sammlung.

Omdat Van Esch zich op Klaus' binnenwereld richt en niet op de buitenwereld (en ook omdat de filmer geen getuigen uit Klaus Manns Amsterdamse periode kon vinden) ontbreken de in dit genre gebruikelijke interviews met tijdgenoten. Voor wie een veelzijdige kijk op Klaus Mann verwacht is dat spijtig, maar minder waarheidsgetrouw wordt Van Esch' documentaire er niet door.

De film bevestigt immers wat we uit de boeken van Klaus Mann al wisten: dat hij geen vrienden hàd, dat hij van niemand hield, behalve van zijn zus Erika en van de dode maatjes uit zijn jeugd.

Gepassioneerd maar vluchtig zijn bij Van Esch de nagespeelde blik- of bedcontacten met mooie jongens. De zwart-wit-beelden (archiefbeelden?) van naakte knapen in de Hudson behoren tot de mooiste van de hele film. Tot de pijnlijkste ook, want het hallucinante tafereel maakt meer dan wat ook duidelijk dat Klaus Mann de wellust enerzijds als godsgeschenk ervoer en anderzijds als een vloek. Wat dat betreft leek hij op zijn vader.

Van Esch gaat niet uitgebreid op de vader-zoon-relatie in, maar hij toont wel fragmenten uit een veelzeggende film van Klaus Manns aartsvijand Gustav Gründgens. De jonge componist Friedemann Bach, zoon van Johann Sebastian, ontsteekt in die film in machteloze woede wanneer men zijn artistieke prestaties neerbuigend met die van zijn vader vergelijkt - en model voor deze arme filmheld stond, inderdaad, Klaus Mann.

Alle lijnen die Van Esch volgt: Klaus' bestaan in de schaduw van zijn vader, het uitblijvende literaire succes, zijn problematische homoseksualiteit, zijn toenemende isolement, zijn wanhoop over de vergeefsheid van het intellectuele verzet tegen de nazi's en de leegte die hij na de oorlog voelde toen zijn rol in dat verzet was uitgespeeld - al die levenslijnen leiden naar een onverbiddelijke zelfmoord. Die vond plaats op 22 mei 1949, in Cannes.

Van Esch' documentaire eindigt met een bericht uit Het Parool: 'Thomas Mann is door de plotselinge dood van zijn zoon zo geschokt, dat hij zijn tournee door Duitsland voorlopig heeft uitgesteld. De serie lezingen die hij op het ogenblik houdt, zal hij echter afmaken, omdat hij de studenten niet wil teleurstellen. Hij zal de begrafenis van zijn zoon [-] dan ook niet kunnen bijwonen'.