De 'Meezing-Mattheus' is een waar godswonder

AMSTERDAM, 23 MAART. 'Ru-uhe sa-anfte, sa-anfte ruh.' Als de laatste klanken van de Matthäus Passion zijn weggestorven, heerst er seconden lang stilte in de volle Mozes en Aäronkerk.

Dan barst het applaus los met luid bravogeroep. Het publiek klapt voor de solisten, de solisten voor het publiek. Maar de held van zondagmiddag is dirigent Huub Kerstens, die 'een sprong in het duister' waagde en, recht onder een kruisbeeld van Christus, een waar godswonder volbracht. De eerste 'Meezing-Mattheus' was een in de muziekhistorie unieke uitvoering van Bachs meesterwerk, begeleid door een strijkkwartet en een kerk vol geoefende en ongeoefende amateurzangers die zonder te hebben gerepeteerd bijna alles mochten meezingen, inclusief de aria's. Als het aan organisator Huib Schreurs ligt komt er volgend jaar weer een 'Meezing-Mattheus', wellicht in de Beurs van Berlage en dan met 2.000 zangers. Nu waren er maar 500 plaatsen en die waren al weg drieënhalf uur nadat er twee advertenties in De Groene en Het Parool hadden gestaan. Kerstens: “In het begin twijfelden we nog of we de kerk vol zouden krijgen, maar achteraf hadden we de Grote Zaal van het Concertgebouw kunnen vullen.”

Al ver voor aanvangstijd staat een lange rij wachtenden voor de kerk, beduidend meer vrouwen dan mannen. Klavieruittreksels onder de arm, sommige nieuw, sommige beduimeld na jarenlang gebruik, of opgedoken bij oma die vroeger in een koor zong. “Ik heb hem vroeger tien keer in een jongenskoor meegezongen”, vertelt een oudere tenor. Voor veel mensen is het een droom om in het koor van de Matthäus te zingen en koorzangers dromen er van om de aria's mee te zingen. Bij de 'Meezing-Mattheus', georganiseerd door De Groene en de Stichting DAM, mag dat allemaal. Alleen de recitatieven zijn heilig, maar verder mag iedereen meezingen wat binnen zijn of haar stembereik ligt. Als je tenminste wilt zingen, want sommigen, zoals een oudere dame naast mij, beperken zich tot luisteren en genieten.

Rond twaalf uur is iedereen in de kerk. Kerstens begint met de indeling: sopranen voorop, daarachter alten, tenoren en bassen. Deelnemers moeten van tevoren weten in welk koor ze zingen - koor I of koor II - en welke stemsoort ze hebben. Wie dat niet weet wordt ter plekke ingedeeld. Op een enkele vergissing na, zoals de tenor die pas later ontdekte dat een tenor niet tussen de bassen thuishoort, verloopt dit geolied. Tussendoor staat een steunkoor opgesteld van zo'n tachtig geoefende koorzangers.

De organisatie heeft 'tien geboden' opgesteld waaraan de zangers zich moeten houden. Kerstens neemt ze nog even door. Blijven kijken naar de dirigent, is de boodschap “en als iemand de melodie kwijtraakt niet doorzingen. En iedereen blijft zitten, anders wordt het een ravage.” Zijn waarschuwingen zijn nauwelijks nodig in dit goedgedisciplineerde gezelschap. De zangers in de kerk zijn gekomen om plezierig samen muziek te maken, niet om de boel te bederven. Wie even de fout in gaat, of niet zeker van zijn zaak is, houdt zijn mond. Het openingskoor Kommt ihr Töchter, helft mir klagen wordt voorbeeldig meegezongen. Ondanks het fikse tempo blijft de polyfonie hoorbaar. Kerstens streeft naar het snellere tempo van de hedendaagse uitvoeringen, “meer in de richting van Harnoncourt dan van Mengelberg”.

De eerste aria (Buss und Reu) die kan worden meegezongen is voor alt Lucia Meeuwsen. Bij de alten en ook bij de sopranen in mijn omgeving wordt bedeesd ingezet en zacht meegezongen. “Ontroerend”, vond Meeuwsen. “Het was spannend om als eerste een aria te doen. Je weet niet wat er uit de kerk gaat komen. Maar dan komt er ineens een fantastisch geluid. Het begon zo schuchter en lief dat de tranen me in de ogen sprongen.”

Huub Kerstens dirigeert met brede armgebaren die tot achterin de kerk te volgen zijn en geeft feilloos aan welke stemgroep wanneer moet inzetten. Vooral de koralen worden uit volle borst meegezongen. 'Wie wunderbarlich ist doch diese Strasse' (in plaats van 'Strafe') klinkt het achter mij. Zelfs het ingewikkelde Blitze und Donner met de snelle afwisseling van koor I en II, waar een amateurkoor normaal maanden op moet studeren, ontaardt niet in een pandemonium. “Een ongelooflijke prestatie om dat zootje ongeregeld een perfect bliksem en donder te laten zingen”, vindt een zanger.

In de pauze is er grote verbroedering. Blije gezichten achter de bekertjes koffie, opgewekt gekakel in de lange rijen voor de dames-wc. 'Deze uitvoering heeft als doel iedereen zo goed mogelijk te laten meezingen en is geen concertuitvoering', zo luidt het zevende gebod. Natuurlijk moet deze meezing-passie niet beoordeeld worden als een 'echte' uitvoering in het Concertgebouw. Het gaat hier, aldus Kerstens, niet om een artistieke prestatie, maar gewoon om het plezier. “Hier spelen andere waarden mee dan artistieke”, beaamt een meezingende dirigent uit Hoorn die zelf de Matthäus heeft gedirigeerd.

Ook de professionele musici en de zes mooi zingende solisten kwijten zich met zichtbaar plezier van hun - dankbare - taak. Allen worden versterkt door microfoons. De begeleiding is om financiële redenen beperkt en bestaat uit orgel, klavecimbel en strijkers van het Mondriaan-kwartet, uitgebreid met een contrabas, die af en toe voor technische hoogstandjes zorgt.

Het arrangement voor klein orkest leidt tot bijzondere effecten. Het tedere Aus Liebe wordt gezongen met orgelbegeleiding en Wieke Ubels zingt het zo mooi en zuiver dat bijna geen sopraan haar mond open durft te doen. Maar als bas Pierre Mak het Mache dich dein Herze rein inzet, kan niemand zich stilhouden. Tenoren, alten en sopranen brullen met de bas mee. Bij het slotkoor Wir setzen uns mit Tränen nieder rijst de hele zaal op een teken van Kerstens omhoog, en zingen nu de solisten uit volle borst met het koor mee.

“Buiten verwachting goed en eigenlijk ook met veel dramatiek”, oordeelt Kerstens na afloop, gelukkig dat het negende gebod, 'zonodig onderbreekt de dirigent het zingen als er iets totaal misgaat' niet in werking hoefde te treden. Buiten op straat lopen deelnemers tevreden na te neuriën. Als deze meezing-passie iets bewezen heeft dan is het wel dat de Matthäus-traditie diep geworteld is in het Nederlandse volk.