Wintersport

Het is voorjaarsvakantie en niet alleen in Nederland. Het mondaine Franse ski-oord zit propvol. Gehuld in fleurig kunststof staan de verenigde naties van Europa in de rij voor de stoeltjeslift.

Eigenlijk is het geen rij, maar een trechter waarvan de slurf uitmondt in met touw afgezette banen, die naar de begeerde zitplaatsen leiden. De zijkanten van de trechter zijn een beetje rommelig en er wil nog wel eens een overmoedige skiër met een wilde laatste bocht in de rij tot stilstand komen. Men spreekt zijn eigen taal, staat op andermans ski's en geeft elkaar af en toe een duw. De meeste mensen hebben een gepreoccupeerde blik en houden hun buren scherp in de gaten. Wachten is niet leuk, zelfs niet als de zon schijnt. Alleen een stel grote, blonde tieners, die met hun snowboards iedereen in de weg staan, maakt grappen.

Ook onze groep is gepresseerd want de lift is de enige verbinding met een andere, die naar ons dorp voert en zoals altijd hebben wij de tijd krap bemeten. Als de laatste lift niet wordt gehaald wacht ons een bochtige busrit, die al eerder tot kotsen leidde. Wij hebben onze kinderen geleerd dat de buitenkant in de trechter tot tijdwinst leidt, maar zij moeten daar voortdurend aan herinnerd worden. Op het gebied van de assertiviteit liggen hun prioriteiten anders, gericht als die is op ouders en leraren. Een van de volwassenen in onze groep baant zich langs de buitenkant een weg door de menigte, daarbij geholpen door zijn omvang en lengte. Het komt hem op kwade blikken en commentaar in een veelheid van talen te staan. Ik vang 'tête fromage' en 'Ollanders' op, maar houd de blik strak naar voren gericht. De kinderen schuiven gegeneerd in ons kielzog mee. De weg voert door een kordon van behelmde peuters die worden aangevoerd door een bevallige Française, moeder of lerares. Zij slaagt er niet in haar groepje bijeen te houden en er ontstaat een gat. Ook mij bekruipt nu een gevoel van schaamte, maar er is geen weg meer terug: de voorsten van onze groep zitten al bijna en mijn kinderen vinden het buitengewoon vervelend steeds als laatste aan te komen. Ik mompel binnensmonds een commando aan mijn jongste dochter, die, gevoelig als zij is voor vibraties van spaning tussen anderen, prompt struikelt over een overdwars gezet snowboard. Het is moeilijk haar omhoog te krijgen uit de warwinkel van ski's en stokken. Als ik me vooroverbuig om haar aan haar jas op te tillen verlies ik zelf ook bijna mijn evenwicht. In gedachten zie ik het domino-effect al voor me waartoe mijn val in de samengepakte menigte had kunnen leiden: “Monsieur, c'est pas le métro Parisien”, roept de moederkloek tegen mijn rug, terwijl ik voortploeg.

Wanneer wij zitten, draait mijn jongste zich om en wijst: “Kijk”, zegt ze, “die moeder met die kinderen staat daar nog steeds.” Ik proef het verwijt in haar stem.