Wij leven hier als bedelaars; De historische frustraties van de Serviërs in Kosovo

Politiek zijn de Serviërs de baas in Kosovo, maar de Albanezen beheersen er de economie. Ze bewonen de mooiste huizen en bezitten rendabele bedrijven. Het Albanese zelfvertrouwen irriteert de Serviërs. Ze voelen zich de onzekere heersers over een land dat ze niet liefhebben en niet kunnen opgeven. 'En zij maar klagen over onderdrukking.'

Voor Vojo DimiEÉc verlopen de Albanese betogingen deze week niet naar wens. Zijn Servische vrienden - leren jassen, zonnebrillen, trainingspakken - scholen samen aan de voet van de heuvel in Priina, waar tienduizenden betogers 'Drenica, Drenica' roepen, en 'USA, USA'. Geen politie in zicht, constateert Vojo spijtig. Dus valt er ook geen spontane assistentie te verlenen, zoals vorige week. Toen wachtte Vojo in een steegje Albanese betogers op die met traangas en waterkanonnen uiteen waren gejaagd. “Er kwam er één met natte kleren op me af. Ik gaf hem toch een hoek! Hij viel op de grond als een stripfiguur, armen en benen alle kanten op.” Vandaag wordt het dus niets. Veel te vreedzaam allemaal. “Ach, het zijn nu vooral kinderen. Die mag je nog niet slaan. Die moeten eerst een beetje groeien.”

De eerste keer dat we Vojo tegenkwamen, maakten we de fout hem de weg te vragen naar het hoofdkwartier van de Albanese 'schaduwpresident' van Kosovo, Ibrahim Rugova. “Als ik dat wist, zou ik een handgranaat naar binnen gooien”, antwoordde hij. Na een korte scheldpartij - “U komt uit Nederland? Jullie zijn sukkels. Kijk maar naar Srebrenica” - besloten we iets te gaan drinken. Om over Albanezen te praten.

Op weg naar zijn stamcafé 'Mozart' leek Vojo DimiEÉc slechtgehumeurd. “Deze auto” - hij sloeg met zijn vuist op de motorkap van een glimmende BMW - “is van een Albanees.” “Die auto” - hij wees op een roestige Yugo - “is van een Serviër. Albanezen verdienen hier in Kosovo het geld. Wij zijn arm. En zij maar klagen over onderdrukking.”

Representatief voor de Serviërs van Priina, hoofdstad van Kosovo, is Vojo niet. Een gedrongen figuur met stekelhaar, gebroken neus en littekens. Voormalig lid van de Arkan Tijgers, de manschappen van de etnische zuiveraar en mafiamagnaat ljko RajatoviEÉc. Uitsmijter in het casino en valsspeler. Een tevreden schurk. “Wie met mij pokert, heeft evenveel kans te winnen als in de loterij. Ik ken wel duizend trucs.”

Maar als Vojo over Albanezen begint, is hij op zijn ruwe manier heel representatief voor de Serviërs van Kosovo. Het ene moment zijn Albanezen primitieve apen, die tussen hun eigen vuilnis enorme gezinnen bij elkaar neuken. Dan weer samenzweerders die in zaken de goeiige Serviërs aftroeven en het Westen inpalmen met geslepen propaganda. Lafbekken, maar ook suïcidale fanatici.

Haat, vrees en waardering wisselen elkaar in Vojo's betoog snel af. Wat Vojo vooral beangstigt, is de Albanese geslotenheid, solidariteit en organisatiegraad. “Wij Serviërs zijn alleen één in de oorlog. De rest van de tijd maken we ruzie. Zij niet, verdomme. Het lijkt wel een leger.”

Onveilig voelen de Serviërs van Kosovo zich al decennia. Ze vormen een slinkende minderheid, al is het onduidelijk hoe gering hun aantal is. Serviërs houden het meestal op zo'n 1,4 miljoen Albanezen tegenover tweehonderdduizend Serviërs en Montenegrijnen. Daarnaast zijn er nog Turken, zigeuners, Servisch-sprekende moslims en Gorani's, een islamitische bergstam in het zuiden. Albanezen houden het erop dat ze met zo'n 1,9 miljoen zijn, tegenover honderd- tot tweehonderdduizend Serviërs en Montenegrijnen. Wie weet? Alles is hier gepolitiseerd: statistieken, geschiedenis, de waarheid.

Egelstelling

Het optreden van het UÇK, het Bevrijdingsleger van Kosovo, heeft het Servische gevoel van onveiligheid verder vergroot. De Drenica-streek was deze eeuw al vaker het toneel van Albanese guerrillastrijd en banditisme, zaken die op de Balkan moeilijk te onderscheiden zijn. De robuuste Albanese boeren van Drenica gehoorzamen van oudsher slechts het gezag van de clanoudsten. Ze wonen in clanforten van verscheidene huizen, omringd door manshoge muren van baksteen of staalplaat. Ook toen Kosovo een autonome, door Albanezen geregeerde provincie was, had de politie er weinig in te brengen. Vorig jaar ontglipte het gebied geheel aan de greep van de Servische overheid. “De politie beheerst alleen nog de grond waarop ze staat”, pochte guerrillaleider Adem Jashari tegen de New York Times. “Ik durfde 's avonds niet meer naar Priina te rijden”, zegt zakenman Mirko PejoviEÉc uit de stad PeEÉc, aan de overkant van de heuvels. “Ze konden je uit je auto sleuren, je in elkaar slaan en de auto meenemen. Of erger.”

Het UÇK executeerde in twee jaar tijd tientallen Servische agenten en Albanese 'collaborateurs', al staat een aantal gevallen mogelijk in verband met een ouder Albanees instituut dan het streven naar onafhankelijkheid, namelijk de bloedwraak. Begin deze maand organiseerde de Servische politie een strafexpeditie, waarbij naar schatting tachtig Albanezen werden gedood.

En nu trekken de Serviërs zich terug in hun nationale egelstelling. “Heeft onze politie dan niet het recht tegen terrorisme op te treden”, vraagt een belastinginspecteur uit Prizren. “Jammer dat er vrouwen en kinderen zijn omgekomen, maar de terroristen gebruikten hun eigen familie als menselijk schild.” Hoe sterker de kritiek uit het buitenland, hoe koppiger Serviërs worden. Vijf eeuwen strijd tegen buitenlandse overheersing heeft zijn sporen in het nationale karakter nagelaten. “Een volk dat net uit de loopgraven komt en argwanend om zich heen speurt, bang voor een nieuwe hinderlaag”, stelde de schrijfster Rebecca West zes decennia geleden over de Serviërs.

Waarom vasthouden aan Kosovo? Slobodan MiloviEÉc wist het in 1987 mooi te zeggen in zijn beruchte toespraak in Kosovo Polje - de toespraak die als beginpunt van de Joegoslavische burgeroorlog geldt. “Jullie moeten hier blijven. Dit is jullie land. Dit zijn jullie huizen. Jullie akkers en tuinen. Jullie herinneringen. Jullie moeten je land niet verlaten omdat het leven hier moeilijk is.” Maar de laatste twintig jaar hebben de Serviërs Kosovo met tienduizenden verlaten. De regering tracht vluchtelingen uit Bosnië en Kroatië te importeren om de etnische balans in Servisch voordeel bij te stellen. Zij hebben over het algemeen weinig trek in een permanent verblijf. “We leven hier als bedelaars”, zegt een vluchteling uit Kroatië die in Priina de kost verdient met de straathandel in sigaretten. “En ik ben niet gevlucht om in een nieuwe oorlog terecht te komen.”

Zelfs Radovan UroviEÉc, woordvoerder van het Servische ministerie van Informatie, verheelt niet dat hij nooit naar Priina was verhuisd als de overheid hem niet gratis een ruim appartement had aangeboden in de buitenwijk Sunni Breg ('Zonnige Heuvel'). Het leven tussen “Albanese stadsboeren” valt hem niet mee. In zijn wijk zijn de vuilcontainers leeg, maar ligt het afval rond de flatgebouwen soms kniehoog en lijken de struiken op kerstbomen, met aan elke tak een plastic zak. “Ze gooien hun rotzooi gewoon uit het raam”, zegt UroviEÉc. “Wat een mentaliteit.”

Er zijn best Serviërs die van Kosovo afwillen. Dobrica siEÉc, oud-president van Joegoslavië na de desintegratie, heeft al jaren een opdelingsplan in de lade liggen. En zo zijn er nog wat opties: een autonome provincie, een deelrepubliek binnen de Joegoslavische Federatie, onafhankelijkheid, onderdeel van Groot-Albanië, onderdeel van de confederatie 'Balkania'; kantonisering, een VN-protectoraat, verzuiling of ingewikkelde combinaties van al deze elementen.

Maar uiteindelijk zit de geschiedenis in de weg. 'Kosovo stinkt', heeft een student op de gevel van de filosofische faculteit van de Servische universiteit in Priina gekalkt. Maar binnen klinkt andere taal. “Wij zijn hier gebleven in eeuwen van terreur en verdrukking”, roept rector PapoviEÉc voor een gehoor van enkele duizenden studenten. “Kosovo is het huis van de Servische ziel. Onze vijanden willen ons als bezetters afschilderen, een perfide, fascistisch plan. Alleen Servië mag zijn nationale identiteit aan Kosovo ontlenen. Het is ons beloofde land. Elk compromis is verraad.” Daverend applaus. “Ga weg, ga weg”, roepen ze even later naar de Albanezen die zwijgzaam hun betoging gadeslaan.

Heilige grond

We staan in het felle winterlicht naast het graf van keizer Dun, even buiten de stad Prizren. De handen vroom over de buik gevouwen, want in gezelschap van priester Milija DjuriEÉc gedraagt men zich vanzelf met de nodige eerbied. De kolossale pope met zijn diepe basstem is in Kosovo geboren en heeft gezworen nooit te vertrekken.

Onder Stefan Dun (1308-1355) bereikte het middeleeuwse Servische rijk zijn grootste omvang. Bij Prizren bouwde koning (later keizer) Dun een paleis, een kerk en een klooster voor driehonderd monniken. Nu liggen er in de nauwe vallei nog slechts fundamenten en een houten noodkloostertje voor tien monniken. DjuriEÉc zegt dagelijks Albanese jongetjes te moeten wegjagen die tussen de ruïnes voetballen. Of hun behoefte doen op deze “heilige Servische grond”.

Binnenkort begint hier de bouw van een exacte kopie van Duns stad, zegt hij. Wanneer 'binnenkort' is, daarover is DjuriEÉc vaag. Serviërs willen met bouwplannen vaak niet meer zeggen dan: 'wij blijven hier'. Zie de enorme orthodoxe kerk in Priina, die al jarenlang in de steigers staat naast het oude quasi-islamitische 'centrum voor Albanologie'. Vaak blijft het bij plannen of halfvoltooide gebouwen. Het gaat om de intentie.

De Turken hebben Duns stad in 1571 verwoest en de stenen gebruikt om de grote moskee in Prizren te bouwen, bast vader DjuriEÉc. “Een bewijs voor de destructieve kracht van de islam.” De Servische dwangarbeiders die Duns stad moesten slopen, wisten het lichaam van hun keizer voor hun Turkse meester te verbergen. “In 1965 is het skelet teruggevonden en naar Belgrado gebracht. We hebben het opgemeten: 2,17 meter lang was Dun. Ik kan u hier in Kosovo zoveel culturele rijkdommen laten zien, die teruggaan tot de diepe Middeleeuwen. En wat kan de Albanees u laten zien? Helemaal niets.”

Kloosters en kerken, forten en skeletten: Kosovo is bezaaid met de relieken van een kort, maar glorieus Servisch verleden. De provincie geldt als de wieg van de natie. Van hieruit stichtten de Serviërs binnen enkele generaties een machtig Balkanrijk. Even snel raakten ze dat rijk in 1389 kwijt, in de slag op het Merelveld, Kosovo Polje, even ten westen van het huidige Priina. Daar werd de Servische aristocratie vernietigd door de Ottomaanse Turken, waarna vijf eeuwen van collaboratie, rebellie en onderdrukking volgden.

Maar als Kosovo het Servische Israel is, dan moeten de Albanezen de Palestijnen zijn. Albanezen zien zichzelf als 'Illyriërs', die sinds de prehistorie in Kosovo wonen en door de Serviërs onder de voet zijn gelopen. De Serviërs zien Albanezen als slaafse handlangers van de Turken, die vanaf de zeventiende eeuw de akkers van verjaagde Serviërs inpikten. Het verleden dwingt de Serviërs aan Kosovo vast te houden. Maar kloosters en retoriek over de 'wieg der natie' zijn niet genoeg om ze zover te krijgen er ook te gaan wonen.

In de vrieskou

Slobodan MiloviEÉc ontnam Kosovo in 1989 zijn status als autonome provincie,ontsloeg massaal Albanezen uit de overheidsdienst en de staatsbedrijven en stichtte een politiestaat. Ambtenaren, agenten, leraren, artsen en rechters zijn voor het merendeel Servisch. Daarnaast bestaat er een parallelle, op hechte clanbasis georganiseerde Albanese staat onder leiding van de schrijver Ibrahim Rugova, met eigen belastingen, gezondheidszorg en onderwijs.

De ironie wil dat de massa-ontslagen van Albanezen uit de staatsbedrijven nu min of meer in hun voordeel werkt. De Servische staatsbedrijven zijn failliet. Ambtenaren werken in klamme gebouwen met tapijten vol vochtvlekken en brandgaten. Op de gangen staan vaak kuipstoeltjes uit de jaren zeventig, waarvan de vulling door vele gaten uit het skai puilt. Alles ruikt naar verval.

Niet dat de Albanezen die op de straathoeken van Priina om werk bedelen, er veel beter aan toe zijn. Of de Albanese studenten die elke dag een uur naar hun eigen universiteiten moeten lopen om daar in de vrieskou te studeren voor een diploma dat nergens wordt erkend. Maar als bevolkingsgroep hebben de Albanezen de privésector in Kosovo stevig in handen. Geholpen door de contacten en het geld van de naar schatting 400.000 Kosovar-Albanezen die in de afgelopen tien jaar noodgedwongen naar onder meer Duitsland en Zwitserland emigreerden. Deze Albanese diaspora uit Kosovo is politiek gezien een beetje gênant. “Wij klagen dat we slachtoffer zijn van etnische zuiveringen”, zegt de Albanese politicus Rifat Blaku, die belast is met remigratiezaken. “Maar al onze mensen willen naar Zwitserland en Duitsland en we krijgen ze met geen mogelijkheid terug.”

“Albanezen zijn hier de kapitalisten, wij Serviërs oude communisten”, zegt de Servische zakenman Mirko PejoviEÉc uit het stadje PeEÉc wrokkig. “Moet je kijken naar die prachtige huizen.” In de Albanese wijk staan veel nieuwe huizen, kantoren en bedrijven in de steigers. “Betaald met geld uit Duitsland.” Links het nieuwe hoofdkwartier van 'Banana', een Albanees im- en exportbedrijf. Rechts twintig bussen van Flamengotours, een Albanees tourbedrijf. Een loods met bouwmateriaal: allemaal voor Albanezen. “Ze klagen dat ze onder Servisch bestuur geen rechten hebben. Maar ze bedriegen ons aan alle kanten. Onder Albanezen is het gegeven woord heilig. Zij hoeven in zaken dus niets op papier te zetten en ontduiken onze belastingen.”

Mirko kan maar niet begrijpen dat de Albanezen zich niet neerleggen bij de Servische overheersing. “Van de politiek maken ze een zootje. Kijk naar Albanië. Willen ze in zo'n land wonen? Waarom geven ze die droom niet op en worden ze niet rijk in Servië? Wij zijn beter in organiseren.” De volgende morgen belt hij ons op: of we zijn naam in Mirko willen veranderen. Want in zaken is hij afhankelijk van de Albanezen, en die moeten geen slechte indruk van hem krijgen.

Politiek zijn de Serviërs de baas in Kosovo, maar daaronder schuilt andere realiteit. Dat blijkt ook als we met journalist Gorani Dukagjin van de Albanese krant Koha Ditore over een recent incident praten. Een cameraman van WTN werd door een Servische knokploeg in elkaar geslagen omdat hij tijdens een betoging een Servische zakenman filmde, die vanaf een balkon de langstrekkende Albanezen bespotte. “Die man stuurde de krant vandaag een ingezonden brief waarin hij zich excuseerde voor het incident. In het Albanees! Hij is bang zijn zakenvrienden kwijt te raken.”

Onzekere heersers over een land dat ze niet liefhebben en niet kunnen opgeven. Donderdag laten de Serviërs zien wie de baas is in Kosovo en slaan Vojo DimiEÉc en zijn vrienden er op los. Het wachten is op aanslagen van de UÇK. Een nieuwe lente op de Balkan.