Wat doet Afrika ertoe?; De zwarte factor in Clintons buitenlandse politiek

Bill Clinton reist vanaf morgen elf dagen door Afrika. Het zou een blijk kunnen zijn van Washingtons nieuwe Afro-optimisme. Maar Afrikanen vrezen dat de belangstelling vooral voor binnenlands gebruik is. Eén ding is zeker: de jongste avances mogen de VS geen banen of mensenlevens kosten.

Zondag op Gorée. Dagjesmensen uit Dakar drommen van de veerboot en zwermen uit over het eiland met zijn smalle, achttiende-eeuwse straatjes, omzoomd door bougainvilles. Sommigen beklimmen de trappen van het oude Franse fort met zijn roestige dubbelloops kanon en genieten van het uitzicht op Cap Vert en de grootsteedse skyline van Dakar. De belangrijkste attractie is het steenrood gepleisterde Maison des Esclaves. In 1776 gebouwd door Hollandse slavenhalers, die het eilandje zijn naam gaven: Goeree (goede rede). Van hieruit werden tot de afschaffing van de slavenhandel in 1848 tientallen duizenden Afrikanen ingescheept naar de plantages van de Nieuwe Wereld.

Het Maison des Esclaves heeft twee verdiepingen. Boven huisde de depotbeheerder in twee ruime kamers met uitzicht op de rede, waar de slavenschepen voor anker lagen. In de donkere kerkers gelijkvloers werden 150 tot 200 slaven tegelijk gehuisvest, hun ruggen naar de muur, hun handen en voeten in ijzers. Aan de zeezijde is een smalle kade waar de sloepen afmeerden die de gekeurde handelswaar naar de schepen op de rede voeren.

De gids, een gezette Senegalees in batikhemd, dist gruwelen op in rollend Frans, terwijl hij met smeedijzeren kettingen rammelt. De duurst betaalde zwarten, vertelt hij, waren Yoruba uit Nigeria en Benin. Zij werden gebruikt als fokslaven en heetten dan ook 'hengsten' in het handelsverkeer. Niet zelden werden hele families tegelijk verhandeld, maar die werden meestal over verschillende afnemers verdeeld. Vader werd verscheept naar Louisiana, moeder naar Brazilië of Cuba en de kinderen naar Haïti of de Antillen. De slaven werden geprijsd naar hun lichaamsgewicht en moesten na de afmattende voettocht uit het binnenland eerst een paar weken aankomen op Gorée. En dan - de gids last een korte stilte in - was het: “Adieu Afrique”.

“Goodbye Africa”, fluistert mijn zwarte buurvrouw tegen haar reisgenote. Ze heet Janice en werkt als regeringstolk in Washington; haar vriendin Sue is een lerares scheikunde uit Alabama. Ze hebben zich gemengd onder de mondaine Senegalezen die hun zondag komen doorbrengen op Gorée. Beide dames zijn gekleed in fel gekleurde Afrikaanse pagnes met een geknoopte hoofddoek van dezelfde stof. Ze reizen twee weken door West-Afrika, op zoek naar hun roots. Als ze vanaf de kade uitkijken over het Atlantische blauw, wrijft Sue een traan weg vanachter haar vlindervormige, goudgerande bril.

Op 2 april zal dit slaperige rotspuntje voor de kust van Senegal even in het middelpunt van de Amerikaanse belangstelling staan. Dan brengt Bill Clinton, ter afsluiting van zijn elfdaagse reis door Afrika, samen met zijn vrouw Hillary een kort bezoek aan Gorée. Als een hommage aan de Janice's en de Sue's van Amerika en als symbolische boetedoening voor twee eeuwen Amerikaanse slavernij. Het thuisfront, dat zich net te goed heeft kunnen doen aan Steven Spielbergs spektakelfilm Amistad, zal ademloos aan de buis zitten.

De slavenhandel was de eerste schakel tussen Afrika en Amerika. De nakomelingen van de naar de Nieuwe Wereld verscheepte zwarten hadden na de afschaffing van de slavernij in 1863 een eeuw nodig om hun geboorterecht als Amerikanen te bevechten. Black pride, het ontwakende zelfbewustzijn van de Afro-Amerikanen, ging gepaard met een obsessie voor het continent van herkomst. De in Harlem geboren zwarte dichter Countee Cullen (1903-1946) goot de identiteitsvraag van de Afro-Amerikaan medio jaren twintig in deze dichtregels: What is Africa to me: Copper sun or scarlet sea Jungle star or jungle track Strong bronzed men, or regal black Women from whose loins I sprang When the birds of Eden sang?

De schrijver Alex Haley (geboren 1921) reconstrueerde in Roots de geschiedenis van een zwarte familie, te beginnen bij haar wortels in Gambia, de transatlantische passage en de landing in 1767 van het slavenschip in Annapolis. Het boek en de gelijknamige televisieserie brachten onder de zwarte middenklasse een toeristenstroom richting Afrika op gang.

Countee Cullen stelde zich Afrika voor als een Hof van Eden. Een Afro-Amerikaan van een volgende generatie diende hem van repliek. Keith Richburg was drie jaar lang - van 1991 tot 1994 - correspondent in Afrika voor de Washington Post met standplaats Nairobi. Het was allerminst een sentimental journey. Richburg versloeg onder meer de burgeroorlog in Somalië en de genocide in Rwanda. In zijn vorig jaar verschenen boek Out of America - A black man confronts Africa vraagt hij zich gedesillusioneerd af: “Zijn dit werkelijk mijn mensen? Ben ik echt een Afrikaanse Amerikaan? Onmenselijkheid in Afrika heeft een zwart gezicht. Deze zinloze wreedheden en brute dictators zijn een product van eigen Afrikaanse bodem, geen erfenis van het kolonialisme of de Koude Oorlog.” Zeventig jaar na Cullens hartekreet verzucht Richburg uit het diepst van zijn ziel: “God zij dank heeft mijn naamloze voorouder, die over de oceaan werd gevoerd in ketenen en ijzeren voetklemmen, die reis overleefd. Ik dank God dat ik een Amerikaan ben.”

De kloof tussen Cullen en Richburg is er niet alleen een tussen romantiek en realisme. Hen scheidt ook een halve eeuw geschiedenis: de emancipatie van de Amerikaanse zwarten, de opkomst van de Verenigde Staten als wereldmacht, hun interventie in de Tweede Wereldoorlog en hun wereldwijde krachtmeting met de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog. De VS gingen zich in de jaren zestig met Afrika bemoeien, toen Moskou zich opwierp als pleitbezorger van de jonge staten op het continent. Washington wedde daarbij op Afrikaanse autocraten die poseerden als kampioenen van de 'vrije wereld'. Zo werd Congo's Mobutu in 1963 onderscheiden met het Amerikaanse Legioen van Verdienste. In de begeleidende oorkonde heette het: “Door zijn land van buitenlandse communistische elementen te zuiveren, bewees hij zich als behoeder van de vrijheid en als vriend van alle vrije volkeren”.

Wespennest

Toen de Sovjet-Unie instortte en Rusland zich terugtrok uit Afrika, zocht president George Bush voor de VS een rol als grondlegger van een 'nieuwe wereldorde' en hij stuurde troepen naar het uiteenvallende Somalië. Zijn opvolger Bill Clinton erfde die onderneming, die uitliep op een fiasco. De beelden van een dode GI die door de straten van Mogadishu werd gesleept, schokten Amerika en Clinton haalde de boys terug naar huis. De Koude Oorlog was voorbij en Afrika was niet langer van strategisch belang.

Toen in 1994 in Rwanda een genocide werd aangericht door fanatieke Hutu's die de macht niet wensten te delen met een minderheid van Tutsi's, weigerde Clinton die massamoord bij zijn naam te noemen om niet te hoeven interveniëren. Afrika was een wespennest, en afropessimisme à la Richburg vierde hoogtij.

Terwijl in Rwanda 800.000 Afrikanen werden omgebracht, werd in Zuid-Afrika een vreedzame revolutie voltooid, die een einde maakte aan een halve eeuw apartheid en in Pretoria een meerderheidsbewind aan de macht bracht. Die omwenteling - en wellicht ook schaamte over de afzijdigheid in Rwanda - luidde een kentering in van Washingtons Afrikapolitiek. “Africa matters”, meent de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright. En volgens president Clinton “zet een dynamisch nieuw Afrika dramatische stappen naar democratie en welvaart”.

Bij de vormgeving van het Afrikabe-leid ruimt Clinton de laatste jaren een speciale plaats in voor leden van de Afro-Amerikaanse gemeenschap, vanouds een electorale steunpilaar van zijn Democratische Partij. Onder Clinton zijn zij doorgestoten naar hoge posten binnen het State Department en het Witte Huis. Susan E. Rice, de huidige onderminister van Buitenlandse Zaken belast met Afrikaanse aangelegenheden, is een Afro-Amerikaanse. En Clintons speciale gezant ter bevordering van de democratie in Afrika is de omstreden zwarte activist voor burgerrechten dominee Jesse Jackson.

Susan Rice (34) promoveerde in Oxford op een proefschrift over internationale betrekkingen. Van 1993 tot 1995 was zij verbonden aan het Witte Huis als directeur mondiale zaken. In 1995 werd zij senior director voor Afrikaanse zaken in de Nationale Veiligheidsraad, en in januari 1997 klom ze op tot onderminister in het State Department. De postmondiale zaken in het Witte Huis omvatten ook vredesoperaties en in die functie werkte Rice nauw samen met de toenmalige VN-ambassadeur Albright. Zij reisden samen naar Liberia, Ghana, Rwanda, Burundi en Angola.

Op 5 februari hield Susan Rice een lunchrede voor de pressiegroep Blacks in government onder de titel 'Een nieuwe visie voor Afrika'. Zij prees haar gastheren voor hun “uitmuntende resultaten bij de bevordering van diversiteit in de buitenlandse dienst” - en dacht daarbij ongetwijfeld aan haar eigen bliksemcarrière. Rice: “Er is vandaag meer reden tot optimisme over Afrika's toekomst dan op enig moment sinds de stroom van onafhankelijkheidsverklaringen, dertig jaar geleden. Conflicten, staatsgrepen en corruptie mogen dan hier en daar een hardnekkig bestaan leiden, de grote lijn is dat er een golf van verandering rolt over het Afrikaanse continent. We kunnen met vice-president Thabo Mbeki van Zuid-Afrika spreken van een 'Afrikaanse Renaissance'.”

Afgaande op de recente reeks verkiezingen met verscheidene partijen, telde de onderminister liefst 25 democratieën bezuiden de Sahara. Bovendien constateerde zij in een aantal Afrikaanse staten een herwaardering van de markt. Rice beschouwt geliberaliseerde Afrikaanse economieën als potentiële afzetgebieden. Het Amerikaanse aandeel in de totale Afrikaanse importen bedraagt nog slechts zeven procent, gaf zij toe, “maar als deze enorme, goeddeels onbenutte markt van 700 miljoen consumenten groeit en ons marktaandeel toeneemt, kunnen in Amerika duizenden nieuwe banen worden gecreëerd”. Ze zei er niet bij dat Afrikaanse goederen slechts een schamele twee procent uitmaken van de Amerikaanse invoer en dat olie daarvan het leeuwendeel vormt.

Rice kreeg onlangs stevig weerwerk van George B.N. Ayittey, een Ghanees die economie doceert aan de American University in Washington. Op de opiniepagina van de Wall Street Journal veegde hij de vloer aan met het afro-optimisme van Clinton en de zijnen. Ayittey: “Ze lopen weg voor kritiek op het beleid van Afrikaanse leiders uit angst te worden weggezet als 'racistisch'. Om de zwarte kiezers te behagen wordt een overmatig optimistisch beeld geschilderd van Afrika en blijft de belangrijkste bron van Afrika's kwalen buiten schot: het leiderschap.”

Ayittey ziet geen dramatische stappen naar democratie en welvaart, eerder 'acrobatische babypasjes'. Hij is van mening dat de nadruk die Clinton en de zijnen leggen op 'kleine succesjes' - hij noemt Oeganda, Benin, Lesotho, Mozambique en Guinee - het zicht vertroebelt. Hij komt met tegenvoorbeelden: “Angola, Congo, Kenia, Nigeria, Soedan en Zimbabwe remmen de vooruitgang van het continent.” En de in Washington bejubelde 'nieuwe leiders' in Oeganda, Ethiopië, Eritrea, Rwanda en Congo, schrijft Ayittey, “schoten zich een weg naar de macht”.

De blinde vlek voor wanbestuur wijt Ayittey aan het feit dat de regering-Clinton bij de uitstippeling van haar Afrikapolitiek zo zwaar leunt op Afro-Amerikaanse activisten voor burgerrechten, die “Afrika bezien volgens het raciale zwart-witparadigma”. In de campagne tegen het blanke apartheidsbewind in Zuid-Afrika, schrijft Ayittey, speelden deze activisten een belangrijke rol, maar “in de campagne voor de bevrijding van Afrika van zwarte tirannen en geboefte zijn zij niet alleen laatkomers, maar staan ze dikwijls aan de verkeerde kant”.

Gevoelige plek

Ayittey treft de Afro-Amerikaanse elite in een gevoelige plek. Het enige zwarte lid van de Amerikaanse Senaat, Carol Moseley-Braun, een Democraat uit Illinois, bracht in 1996 een bezoek aan Nigeria. Tot grote woede van Afrikaanse en andere activisten voor de rechten van de mens. In Port Harcourt babbelde ze met de militaire gouverneur, kolonel Dauda Musa Komo, die een jaar eerder de schrijver Ken Saro-Wiwa en andere activisten had laten ophangen. Mevrouw Moseley-Brown prees kolonel Komo voor het herstel van orde en rust in het gebied en weigerde een onderhoud met de democratische oppositie.

Susan Rice zei vorige week dat haar regering “geen genoegen zal nemen” met een kandidatuur van de militaire leider van Nigeria, generaal Sani Abacha, bij de presidentsverkiezingen van augustus. Maar dat betoog klonk wat zwakjes gezien het feit dat de VS veertig procent van Nigeriaanse olie afnemen.

De regering-Clinton laat zich voorstaan op twee recente beleidsinitiatieven voor Afrika. Ten eerste de African Growth and Opportunity Act, een wetsvoorstel dat importheffingen op Afrikaanse textiel en kleding schrapt, handelsvoordelen biedt aan Afrikaanse exporteurs, joint ventures vergemakkelijkt en 650 miljoen dollar reserveert voor de bevordering van investeringen en de ontwikkeling van de infrastructuur in Afrika. Dat alles in ruil voor openstelling van de Afrikaanse markten voor Amerikaanse producten.

De wet werd vorige week aangenomen door het Huis van Afgevaardigden. Onder de voorstemmers waren 92 Democraten en 141 Republikeinen, onder wie speaker Newt Gingrich. Liefst 101 Democraten stemden tegen, onder wie enkelen van de 37 leden tellende Black Caucus, een groep van zwarte afgevaardigden. Die laatsten achten het wetsontwerp een bedreiging voor de werkgelegenheid van zwarten in hun kiesdistrict. Een van de tegenstemmers, de zwarte afgevaardigde Melvin Watt uit Noord-Carolina, zei: “Ik zou het ontwerp graag steunen, maar ik word niet gekozen door Afrikanen.”

In die delen van Afrika, waar men 'liberalisering' heeft leren lezen als 'het recht van de sterkste', wordt evenmin gejuicht. Op 15 maart kwam in Johannesburg, Zuid-Afrika, een conferentie bijeen van 29 organisaties: activisten voor de verdediging van burgerrechten, vakbonden en de Zuid-Afrikaanse communistische partij, een bondgenoot van het ANC. De deelnemers veroordeelden het nieuwe wetsontwerp de nieuwe wet als 'een vorm van rekolonisering van Afrika'. In de slotverklaring staat dat “de neoliberale politiek van Clinton Afrikaanse belangen schaadt”.

Pelgrimage

Het tweede 'grensverleggende project' - in de woorden van Rice - is het eveneens vorig jaar gelanceerde African Crisis Response Initiative (ACRI). Clinton en de zijnen beschouwen conflictbeheersing als een voorwaarde voor 'integratie van Afrika in de wereldeconomie', maar worden nog steeds achtervolgd door de beelden van Somalië 1993. ACRI is een trainingsprogramma voor militairen uit Afrikaanse landen, gericht op de vorming van parate bataljons die in geval van een conflict of humanitaire crisis gezamenlijk kunnen ingrijpen, met logistieke steun van de VS. Afrikanisering van vredesoperaties, heet deze nieuwe benadering.

Begin maart, tijdens een grootscheepse oefening in Oost-Senegal wees een Franse generaal in de hitte van de Sahel op de verschillen tussen zijn land en de VS: “Wij gaan er vanuit dat ondersteuning van Afrikaanse vredesoperaties kan leiden tot het verlies van Franse levens. Welnu, dat willen de Amerikanen niet meer. Hun vuistregel is: zéro mort.”

Dat is een treffende metafoor voor de jongste Amerikaanse initiatieven. Clinton en de zijnen willen wel een bijdrage leveren aan de 'Afrikaanse Renaissance', maar niet tegen de prijs van Amerikaanse banen of bodybags.

Als de president daar een streep trekt, vindt hij het zwarte electoraat aan zijn kant. In de textielfabrieken van het diepe zuiden werken vooral Afro-Amerikanen en de lagere rangen van het leger tellen relatief veel zwarten. De Afro-Amerikaanse afgevaardigde John Lewis, een Democraat uit Georgia en een veteraan uit de strijd voor burgerrechten, zei dat Clintons reis naar Afrika voor zijn achterban een tweeledige betekenis heeft: “Het zal Afro-Amerikanen een gevoel van trots geven dat de president een bezoek brengt aan hun continent van herkomst. Het zal velen van hen ook gevoeliger maken voor de noden der Afrikanen.”

Het Witte Huis heeft al laten weten dat een formele verontschuldiging voor het leed van de Amerikaanse negerslaven er niet in zit, ofschoon daarop is aangedrongen door de radicale zwarte moslimleider Louis Farrakhan. Volgens Amerikaanse diplomaten in Afrika is Clintons missie mede bedoeld om Farrakhans Nation of Islam de wind uit de zeilen te nemen. Diens provocerende ontmoetingen met Moammar Gaddafi, Soedanese leiders en Winnie Mandela trokken onder zwarte Amerikanen meer aandacht dan de jongste diplomatieke trips van Jesse Jackson. De dominee, die Clinton zal vergezellen naar Afrika, vindt excuses voor de slavernij niet aan de orde. “Die discussie leidt de aandacht af van de hoofdzaak”, aldus Jackson. “Wat we nodig hebben, zijn geen woorden, maar daden.”

Dát is Afrika met hem eens. Tijdens een minitop met Afrikaanse leiders in de Oegandese hoofdstad Kampala zal Clinton aan de tand worden gevoeld over technische hulp en schuldenverlichting. De vice-president voor Afrika van de Wereldbank, de Zimbabweaan Callisto Madavo, zei deze week dat de reis van Clinton “blijk geeft van een nieuw vertrouwen in Afrika” en een erkenning is “voor de vooruitgang die het continent heeft geboekt”. Maar hij voegde eraan toe dat de vorderingen breekbaar zijn en dat er “voor alles particuliere investeringen nodig zijn om de vaart erin te houden”. Als dergelijke daden achterwege blijven, is Clintons afro-optimisme louter voor binnenlands gebruik en gaat zijn pelgrimage naar het slaveneiland Gorée de geschiedenis in als een symbolisch vertoon van compassie met Afro-Amerika.